bene van eeghem blog

Ostende, bonsoir (3)

Ik veeg gauw een spat mosselsaus van zoonlief zijn trui, zwier het servet in de emmer met lege schelpen, neem mijn handtas en verlaat samen met de kroost het pand. Maar niet zonder nog één keer achterom te kijken. Ik zie de ruimte waar de tafeltjes in gewone tijden vakkundig bijeen gepropt stonden. Het oogt nu wat leeg, mensen eten in kleine groepjes, op wat ‘een veilige afstand’ heet. De Kombuis is en blijft een referentie. Corona heeft de charme van deze plek nooit kapot gekregen.

Het is in die Kombuis, een Oostends ‘monument’, dat er meer dan drie decennia mosselen werden geserveerd in een ongedwongen kader. Wie hier aanschoof, deed het niet voor het peperdure interieur of voor de verfijnde keuken waar Michelin zo graag sterren aan uitdeelt. Het verhaal begon als een doodgewoon frietkot en is doorheen de jaren uitgegroeid tot een gerenommeerd eethuis. Volks en pretentieloos. De Kombuis was synoniem voor Villa Rembrandt aan de Van Iseghemlaan, op een boogscheut van het zeegat. De lichtbakken gaven de geklasseerde voorgevel een unieke toets. De klapdeur met muggengaas maakte het af.

Met de geur van dat zeegat in de neus zijn we er doorheen de jaren tientallen keren binnen gewaaid: met vrienden, met familie, met kinderen. Reserveren kon je niet, you had to be lucky. Of er was plaats, of je moest later terugkeren. In ruil voor het geduld kreeg je altijd waar voor je geld: een dampende portie zeegoud voor je neus, met frieten erbij en het obligate potje huisgemaakte mayonaise.

Ook de groten der aarde wisten dat het hier goed toeven was. Aan de muur in het restaurant: handtekeningen van onder andere Gabriel Rios en Arno. Ze hingen tussen absurde kunstcreaties met mosselschelpen, een 3D-kader van een vissersboot, een scheepsroer en een ingekaderd vintage zicht op de kustlijn van Oostende. Terwijl de chef in de open keuken voor de zoveelste keer mosselen opschudde, borden met garnaalkroketten dresseerde en aan de lopende band bestellingen verwerkte, kon je je ogen de kost geven. Aan de mensen, de decoratie, de stemmige drukte.

Ik ga er geen doekjes om winden: ik heb mijn hart in De Kombuis verloren vanaf mijn eerste bezoek. Omdat er puurheid in de keet zat. Omdat je wist dat een papieren tafelkleed en eenvoudige wijnglazen geen issue zijn, als het eten exquis is. Omdat de medewerkers van het huis altijd joviaal waren, als acrobaten slalomden tussen de tientallen tafeltjes en er moeiteloos in slaagden om de grote borden, emmers, schalen met friet, glazen, bestek en drankjes vakkundig neer te zetten. ‘Distancing’ hebben ze er vóór het crisisjaar 2020 nooit gekend. Het was alles dicht opeen, knus, gewoon en goed.

Deze zomer passeerde ik er nog maar eens en hoorde over de toekomstplannen. De zaak bleek verkocht. De Kombuis – of wat er achter de geklasseerde gevel stak – zou verdwijnen. Het bericht deed me somberen omdat ik alle passages op die plek koester en omdat de herinneringen onuitwisbaar zijn. Hoe we ons met vrienden na een lange strandwandeling tegoed deden aan eten uit de zee. Hoe morsen met sausjes oké was. Hoe de kinderen, toen ze nog klein waren, na het afrekenen een lolly uit de piratenkist mochten plukken. Hoe ik er op 1 januari toevallig eens binnen stapte, omdat De Kombuis zowat het enige restaurant was in Oostende waar ze op Nieuwjaar geen verlof namen. Ook toen smaakten de garnaalkroketten voortreffelijk.

Van sommige dingen wou je dat ze gewoon nooit voorbij gingen. Daarom keren we die avond in september voor de allerlaatste keer terug naar Villa Rembrandt, aan de Van Iseghemlaan. De zaak zit – het mag niet verbazen – vol. De gasten genieten, her en der hoor je het gefluister. Van ‘de laatste keer’, over ‘toch jammer dat het verdwijnt’, tot ‘eentje voor de geschiedenisboeken’.

En dus veeg ik na die memorabele maaltijd gauw nog de laatste spat mosselsaus van zoonlief zijn trui. Ik gooi het servet in de emmer met schelpen, neem mijn handtas, kijk nog één keer achterom en zucht. Dit was De Kombuis. Meer dan 30 jaar een monument in Oostende. De lichtbakken zijn gedoofd, de klapdeur blijft dicht, maar het verhaal zit in de stad geworteld. Voorgoed.

‘C’est pas grave, demain
Sera un autre soir
J’suis seul avec toi
Oostende, bonsoir’

(*uit: ‘Ostende, bonsoir’ – Arno)