bene van eeghem blog

Het recht om te kiezen

Doe ik het of doe ik het niet? Nog maar eens het dossier euthanasie aansnijden, na al wat er de voorbije week in de pers over werd gezegd en geschreven? Natuurlijk doe ik het. Omdat het moet. Omdat er te veel misverstanden de ronde doen over het onderwerp. Omdat te veel mensen een oordeel vellen aan de zijlijn, terwijl oordelen in dit verhaal nooit gepast is.

Ik wil niemand het zwijgen opleggen, maar alleen en héél bescheiden vragen om asjeblieft gematigd te blijven en de zware retoriek te ontwijken in dit debat. Euthanasie is geen moord en dat zal het nooit zijn. Euthanasie is geen lafheid, geen goddeloze daad, geen onbezonnen keuze. Integendeel. Het is iets wat men overweegt en waarover men nadenkt, voor de stap uiteindelijk gezet wordt.

Nadenken is wat iedereen in die context zou moeten proberen doen, zelfs al zijn uw en mijn levensperspectieven nog veelbelovend. Een fractie inleving is de enige manier om een zelf gekozen levenseinde te kunnen snappen. Hoe zou het aanvoelen, als ik morgen te horen kreeg dat mijn dagen letterlijk geteld zijn? Dat er alleen aftakeling, een uitzichtloze behandeling of pijn in het verschiet ligt? Zou ik dan heel lang verder willen, of net niet? Wat zou ik het liefste willen dat er met me gebeurt? Het draait om het meest persoonlijke waardeoordeel. Euthanasie is nooit kort door de bocht. Het is een proces waarin je met mensen praat, vertrouwenspersonen en getuigen aanduidt. Waarin je die mensen te kennen geeft hoe jij je laatste momenten op deze wereld ingevuld en afgerond wil zien. Je tekent er documenten voor, die geregistreerd en geverifieerd worden. Ook het voorstel voor minderjarigen dat recent werd gestemd in de Kamer, sluit volledig bij dat principe aan. Ik ben – al klinkt het wrang – bijzonder blij dat de wet er gekomen is.

Waarom, vraagt u zich misschien af. Been there: daarom. 8 jaar geleden bereikte me op een zonnige februaridag een telefoontje. Het was mijn moeder die verslagen meldde dat vader in het ziekenhuis was opgenomen na epilepsie, zonder enige aanleiding. De kerngezonde boom, plots half geveld. Iedereen adviseerde ons kalm te blijven, niet te panikeren, maar je hebt gut feeling. En onze gut feeling werd bewaarheid. Drie weken na zijn opname wisten we: vader haalt het niet. Het zit in de hersenen, het gaat er niet weg, het maakt hem kapot. Het zal geen jaar meer duren.

Mijn vader keerde naar huis terug, en bracht twee weken later zijn hele euthanasiedossier in orde. Hij wou het snel geregeld hebben, omdat hij toen nog helder van geest was en ‘mocht’ tekenen voor zijn eigen keuzes. Omdat hij geen gezever wilde, wanneer het einde in zicht kwam. Omdat hij menswaardig wou sterven en ons ellende wou besparen. Mijn moeder werd eerste getuige voor de wilsverklaring, een familievriend tweede getuige. Vader tekende de papieren in de huiskamer, zonder een kik te geven, terwijl mijn broer en ik aan tafel verdoofd toekeken. Het was maart, net na zijn verjaardag. We wisten ons met moeite een houding te geven, de klok tikte trager dan ooit, maar we snapten zijn keuze zo geweldig goed. “Ik wil niet dat het eindigt als een draak”, zei hij. “Ik wil niet méér afzien dan nodig. Ik wil dat het stopt als ik moegestreden ben, en dat het schoon stopt. Ik wil dat jullie er met dit papier op toezien dat het netjes gebeurt. Zorg er asjeblieft voor.”

Amper zes maanden later lag mijn vader op palliatieve zorgen. Mijn moeder waakte de klok rond, en belde op een septembermorgen: “Hij heeft het gevraagd. Hij wil niet meer, de pijn is te erg, hij wordt gek. Ze gaan de baxter opstarten. Je moet nu komen, met broer.”

Het was wat we verwachtten maar het was ook de mokerslag. We reden met mist in het hoofd naar de zorgeenheid. Ik herinner me vooral machteloosheid en dat ik mijn broers schouders bijna tot moes klopte, huilend als en kind, in een bureau naast papa’s kamer. “Waarom, godverdomme, waarom?”. Honderd keer heb ik het geroepen. Ik herinner me ook mijn broer die er stoïcijns onder bleef, mijn kloppen opving, en met rood aangelopen ogen herhaalde: “Omdat het moet. Het is over. Hij wil dat het stopt. En we hebben het hem beloofd.”

We stonden aan zijn bed toen hij in slaap werd gebracht, in alle sereniteit. Het werd palliatieve sedatie, geen ‘actieve euthanasie’. Maar de uitkomst was dezelfde en was waar mijn vader om had gevraagd: een pijnloze, vredige dood. Ze kwam op 5 september 2006. Hij overleed ’s avonds met een glimlach op de lippen. Hij was 57. We stonden naast zijn bed, waren verslagen. En toch wisten we dat het goed was zo. Dat zijn wens was gerespecteerd.

Vandaag is 17 februari 2014, een slordige acht jaar na dat eerste gruwelijke telefoontje. Er gaat geen dag voorbij dat ik niet even aan mijn vader denk. Er zijn duizend momenten waarop ik het lot vervloek, het vreselijk vind dat hij mijn kinderen nooit heeft gekend en dat we niet meer samen meebrullen met Clement Peerens of The Offspring in de auto. Ik mis mijn vader bikkelhard maar ik ben ook dankbaar. Dankbaar voor het wettelijk kader dat het hier mogelijk maakt om een levenseinde te kunnen kiezen. Dankbaar voor alle instanties, artsen en zorgverstrekkers die de keuze voor ons hielpen realiseren: daar is moed voor nodig. Dankbaar ook voor de nuchterheid waarmee het recht op euthanasie recent aan minderjarigen werd toegekend. Het getuigt van immense empathie in een wereld die steeds vaker egocentrisch heet te zijn.

Ik ben 35 en heb – hoop ik – nog een hele poos te gaan. Maar ik sta oprecht achter euthanasie en dat zal nooit veranderen. Ik pleit ervoor, zelfs in die uitzonderlijke gevallen waar het om minderjarigen gaat. Ook die mensen hebben het recht om te kiezen, als de perspectieven op beterschap voorgoed uitgedoofd zijn. Ook die mensen hebben recht op een menswaardig einde. Euthanasie is durven zeggen: wat mooi is geweest, mag mooi eindigen. Een straffere ode aan het leven bestaat er niet.