bene van eeghem blog

Afkomen en rechttrekken

Cliché 1: Hollanders zijn gierigaards
Cliché 2: Hollanders reizen altijd met een camper of caravan
Cliché 3: Hollanders vinden Belgen maar een vreemd volkje

Soms is een uitje in eigen land de beste manier om die clichés te ontkrachten. Dan ontdek je dat je in het juiste Hollandse gezelschap een knaller van een avond kunt hebben, met eten en drank geserveerd door de Noorderburen.

Zo strand ik op een rustige avond op staycation bij de camper – ook wel: mobilhome – van twee vrolijke Nederlandse vakantiegangers. Hun Vlaamse buren zijn van de partij, de babbels zijn geanimeerd en zorgen voor een stemmige couleur locale. Met het glas in de hand delen we anekdotes en vertellen we over onze belevenissen van de laatste dagen. Plots blijkt dat andere Hollanders op de camping het al bij de helft van het publiek verkorven hebben. Omdat ze vitten op iedereen, eten schooien en kinderen vermanen die verderop, zonder enige hinder, een gevecht met waterpistolen houden.

‘Getver, aan zulke lui erger je je blauw!’, poneert de Nederlandse gastvrouw. Ze zegt dat ze niks met de twee te maken wil hebben. Intussen giet ze de glazen nog eens vol en port ze me: neem wat van de hapjes, ze staan er voor iedereen. De andere gaste vertelt dat ze door de knorpotten ook al werd aangesproken bij de douches.

‘Ik was aangekleed en stond mijn haar nog even recht te trekken…’, begint ze. De Nederlandse gastvrouw gaat gelijk in een deuk.

‘Je haar recht trekken? Nee maar… hoe kom je d’erbij! Dat zeggen wij nooooit – haar recht trekken!’

Omdat we al licht beneveld zijn, beginnen we collectief te schateren. Ik bedenk: bestaat daar eigenlijk een synoniem voor, voor dat ‘recht trekken’? Iets met een stijltang, of föhnen? We debatteren erover terwijl we ons tegoed doen aan borrelnootjes, quiche en witte pens. Zelfs om die pens moet de gastvrouw lachen: te gek, dat Belgen een worst een ‘pens’ noemen.

Het debat wordt steeds geanimeerder, we weten nu één ding zeker: de nukkige Hollanders op het terrein zullen ons rumoer niet bepaald waarderen. Maar we trekken ons er niks van aan en focussen op de gezelligheid. Tijdens een vakantieweek hoeft de sfeer niet vergald door verzuurde enkelingen. Terloops zeg ik dat we de dwarsliggers misschien moeten uitnodigen om erbij te komen zitten en mee te genieten?

‘Ze kunnen gewoon naar hier afkomen!’, stel ik voor.

En dan barst het volgende lachsalvo los. De gastvrouw vindt ons taaltje te gek.

‘Afkomen? Komaaaan! Je kunt wel ergens van afkomen, maar dat zeg je toch niet over mensen? Dat ze kunnen afkomen. Ik kom niet meer bij, joh…’

Haar geschater is danig aanstekelijk dat we voor de zoveelste keer dubbel liggen. Elk woord zorgt hier voor hilariteit. De hoeveelheid alcohol in het bloed speelt uiteraard mee, maar verder is dit heerlijke Babylonische spraakverwarring. Want we spreken dezelfde taal en toch botsen we op absurde verschillen. We besluiten dat we ‘afkomen’ maar beter vervangen door ‘langs komen’. Dat is een soort van algemeen Nederlands, een tikje saai, maar toch minder verwarrend.

Naarmate het donkerder wordt en de flessen leeg raken, komt het verschil tussen ‘ui’ en ‘ajuin’ nog ter sprake. Eén groente, twee benamingen, en die laatste gebruiken ze in Nederland zelden of nooit. Terwijl zij wel tuk zijn op ‘piepers’, wat wij In Vlaanderen gewoon aardappelen of patatten noemen. Ik zwijg wijselijk over het feit dat die piepers in onze streektaal ‘kusjes’ zijn: de grens moet ergens getrokken.

Het loopt tegen tienen en plots besef ik dat de kroost naar bed moet. Ik neem afscheid van de olijke Hollandse bende en de buren en bedank hen voor de gastvrijheid. Wanneer ik zelf onder de wol kruip, begint het me te dagen. Ik vergat te zeggen dat die vrolijke kampeerders bij ons altijd welkom zijn. Dat ze dus mogen ‘afkomen’, als de agenda het toelaat. Dan kunnen we bij een goed glas en hapjes op mijn kosten,  alle misverstanden over het Nederlands vrolijk en beschonken recht trekken.