bene van eeghem blog

Gentleman met hesje

Hoe sterk is de eenzame fietser
die kromgebogen over zijn stuur
tegen de wind
zichzelf een weg baant

Het zinnetje flitst door mijn hoofd wanneer ik voor de elvendertigste keer over de kasseien van mijn stad dokker met mijn tweewieler. Fietstochtjes waren sinds geruime tijd minder aan de orde. Ik werk al maanden van thuis uit, de kantooromgeving is een quasi onbereikbare reisbestemming geworden. Maar aangezien de jongste thuis onlangs – zonder bijbedoelingen – van zijn tong liet rollen dat mama ‘een beetje ouder wordt’, heb ik het heft in handen genomen. De beweging terug de voorkeur gegeven op het sedentair gedrag.

Ik heb mijn stalen ros van stal gehaald en doorkruis die ochtend met de fiets mijn geliefde Brugse straten. Ik ben onderweg naar wat semi-essentiële winkels, met spierkracht en een verfrommeld mondmasker als trouwe compagnons de route. Onder de stralen van een prille lentezon geniet ik al trappend van de buitenlucht in een stille en verdoofde stad.

Iets verderop wordt dat kleine geluk abrupt gedwarsboomd. De straat is opgebroken, nutsvoorzieningen allerhande worden onder het wegdek gepropt. Ik zie graafmachines, hoor gedaver en merk een hoop signalisatie op. Mannetjes in fluorescerende hesjes gesticuleren druk, immense haspels met nutsleidingen kleuren het staatbeeld. “FIETSERS HIER AFSTAPPEN”, zegt het laatste bord. Ik gehoorzaam en zet mijn weg verder over een hobbelig trottoir, tussen hopen zand en stoeptegels.

Wanneer ik die eerste hindernis genomen heb, stel ik vast dat ik ineens muurvast zit. Het laatste stukje bewandelbaar trottoir wordt ingepalmd door een andere graafmachine. De chauffeur is druk in de weer met ondergrond versassen. Hij heeft niet door dat ik wil passeren maar daar de ruimte niet voor heb. Zijn motor ronkt, ik vloek binnensmonds en zucht. Terugkeren is geen optie, daarvoor is het resterende stuk voetpad te smal. Verder gaan is onmogelijk. Of ik duikel een put in, of ik laat me van de aardbol vegen als de aannemer straks een zwenk maakt met zijn schep.

Het angstzweet breekt me uit. Ik bijt op mijn onderlip. De wereld staat al een jaar in brand en ik bevind me in een doodgewone provinciestad ook tussen twee vuren. Ik slaak tevergeefs een kreet naar de man in zijn ronkende machine. Een fluorescerende collega verderop heeft het plots in de smiezen. Hij ziet me sukkelen en voelt dat ik uit de impasse probeer te geraken. Wanneer de tas die ik meezeul plots van mijn stuur glijdt en ik opnieuw roep, grijpt hij in.

In onvervalst West-Vlaams brult hij naar zijn gravende collega ‘dat da joengstje in de miserie zit’ en dat hij even komt helpen. Zijn behulpzaamheid doet me opfleuren. Ik stamel ‘dank je wel’, nog voor hij het punt heeft bereikt waarop ik vast zit. Met wat kunst- en vliegwerk nadert hij vervolgens tot aan mijn fiets, pikt de tas op en zegt dat hij me naar de overkant zal helpen.

‘Maar hoe?’, vraag ik ietwat verbijsterd, ‘mijn fiets kan daar echt niet langs…’

‘Mo joengstje toch…’, luidt het. Dat ik me geen zorgen hoeft te maken en dat hij dat eens snel gaat oplossen.

Als een ware superheld tilt hij de fiets op, laveert moedig langs zijn gravende collega en de aanpalende nadarhekken en poot de tweewieler wat verder neer op veilig terrein. Ik ben perplex, sta erbij en kijk ernaar.

‘En ik dan…’, stamel ik onbeholpen wanneer hij terug mijn kant op komt. Hij glimlacht, maakt een buiging en reikt me als een gentleman de hand. Loodst me zonder morren of pruttelen door het zand, langs de graafmachine, eveneens naar de overkant.

‘Alstublieft, jongedame’, voegt hij er nog aan toe. ‘Steeds tot uw dienst.’

Ik maak een snelle réverence en bedank hem voor de assistentie. We schateren en gaan dan ons weegs. De rest van de fietstocht maak ik met de glimlach. Stiekem gelukkig, door dat doodgewoon menselijke gebaar in tijden van maniakale distancing. En omdat de gentleman met het hesje ‘jongedame’ tegen me zei. Daarmee is de olijke kritiek van de jongste thuis definitief in de kiem gesmoord.