bene van eeghem blog

Odette en de Ovomaltine

We ontmoeten elkaar voor het eerst in het woonzorgcentrum waar ze verblijft. Ze is de 80 ver voorbij, zit in een rolstoel maar is nog bij de pinken. Odette heeft vandaag afspraak met de therapeut: samen met de medebewoners halen ze herinneringen op aan het sportverleden van deze stad. Voor de gelegenheid is ze zelfs naar de kapper geweest:
“Ik kom nooit ongekamd buiten, noteer dat maar.”

Wanneer Odette aan tafel aanschuift, is ze laaiend enthousiast. Een vlag van blauw-zwart uit de jaren ’60 ligt op tafel en ze grijpt het ding meteen vast. Vurig vertelt ze hoe vaak ze de matches vroeger heeft bijgewoond.
“Zat gij toen in de spionkop, Odette?”, vraagt de therapeute.
“God, neen!”, poneert ze. “Gewoon bij de supporters, ik mocht niet in de spionkop van mijne man. Hij moest mij in de gaten houden hé, want ik durfde wel een glas drinken. En ik weet alles over whisky! Geven ze hier geen whisky vandaag?”

De tafelgenoten grinniken terwijl ze het zegt en intussen gaan tientallen parafernalia heen en weer. Een bruine leren bal, een spray met de geur van gemaaid gras, een single met het vertrouwde clublied. Odette neuriet gelijk mee en wanneer de therapeute haar vraagt hoe de clubsupporters werden genoemd, is ze kordaat:
“Clubzotten natuurlijk! Ja! Wij waren de echte zotten van Brugge!”
“En hoe noemt ge die van de andere ploeg dan, Odette? Die van groen-zwart?”

Ze blokkeert.
“Dat zeg ik niet.”
Aan de overkant is de enige man in het gezelschap – Marcel – meteen bij de pinken:
“Cercletrutten, Odette. Eens een trut, altijd een trut.”

De oudjes beamen voorzichtig dat elke ploeg zijn waarde heeft. Maar eens je kleur hebt bekend, keer je niet op je passen terug: supporter blijf je voor het leven.
“En van al dat schreeuwen tijdens de matchen kreeg ik soms keelpijn!”, komt Odette nog tussenbeide. “Daarom dronk ik whisky hé. Het zou fijn zijn als dat hier ook mocht.”

Wat later is het debat opgeschoven richting koers. De buurvrouw van Odette bladert in een boek over Eddy Merckx. Haar blik is mistig: ze herinnert zich dingen, maar ze benoemen lukt niet echt. Ze glimlacht wanneer de therapeute zegt dat hij “de kannibaal” werd genoemd.
“En kijk, Julia”, voegt ze eraan toe: “Zie je hem hier staan op deze foto? Met dat truitje? Da’s van Molteni. Merckx droeg dat altijd.”

Een authentiek truitje van Molteni doet intussen de ronde. Marcel houdt het voor zich, zegt dat het hem goed past en dat hij nog wel goesting heeft om te koersen, maar dat zijn ‘versnellingsbak’ niet meer mee wil.
“Anders zou ik hier niet zitten hé”, knipoogt hij naar de therapeute.

Odette pikt meteen in en adviseert – alweer – whisky tegen de spierpijn. Intussen wordt de foto van Merckx door het gezelschap nader bestudeerd: hij oogt piepjong, glimlacht breed en houdt de duim omhoog terwijl hij een pot Omovaltine toont: nog zo’n gerenommeerde sponsor.
“Vandaag drinken jonge gasten ook Ovomaltine”, zegt de therapeute met glimlachend. “Het zit boordevol vitaminen en het smaakt een beetje naar chocolade: meer moet dat niet zijn hé!”

De senioren knikken: gelijk heeft ze. De jonge Merckx met een ‘vintage’ pot oplospoeder blijft intussen de gemoederen beroeren. De therapeute zet een nieuwe, plastic pot Ovomaltine op tafel.
“Kijk, zo zien ze er vandaag uit”, vertelt ze. “Da’s nogal wat anders dan vroeger hé?”

Het gezelschap knikt weer. Gemütlichkeit alom. Maar Odette is kordaat in haar besluit:
“En toch drink ik liever whisky dan Ovomaltine. Trouwens, een nieuwe doos is mooier dan een oude doos*. Ik wéét waarover ik spreek.”

*in Vlaanderen: ‘oud wijf’

(de namen in dit stuk zijn schuilnamen – BVE)