bene van eeghem blog

Verse pipi

De thermometer flirt met de 30 graden. Bijna zomer. Op zulke dagen staat er een mens maar één ding te doen: terrasjes opzoeken en daar, terwijl de kroost zich een nekhernia springt op een verschoten springkasteel, genieten van een mondaine of minder mondaine cocktail.

Het is volop namiddag als aan die randvoorwaarden is voldaan. Het terras bevindt zich voor de gelegenheid op een boogscheut van de havengeul. In de verte knallen schlagers door goedkope luidsprekers: de voorbode van een soort van havenfeesten. Maar zelfs die overstuurde oppervlakkigheid kan de pret niet drukken. Op het terras heerst een volkse Gemütlichkeit. De tafels liggen er amper schoongemaakt bij, maar geen haan die ernaar kraait. Klein geluk en beperkte hygiëne gaan hier moeiteloos hand in hand.

De jeugd heeft het springkasteel al links laten liggen en doet iets met versleten autobanden wanneer ik de drankenkaart inspecteer. Het aanbod is beperkt maar gevarieerd, de prijzen zijn democratisch. Ik spot een Kir voor “amper” 4 euro: bingo. Wanneer ik achterom kijk om te checken of er ook een ober in de buurt is, spreekt een man in wielrennersbroekje mij meteen aan. Hij heeft een Kempisch accent, zit aan het tafeltje achter me.

“Ge moet hier nie zitten wachten tot ze komen opnemen, madam. Ge moet zelluf aan de bar bestellen!”

Zelluf. Zo zegt hij dat, terwijl hij nog eens breed lacht. Ik knik beleefd en begeef me naar de binnenkant van het etablissement. Bestel beleefd aan de toog. Het worden twee flesjes frisdrank voor het gebroed en “de” Kir voor mezelf. De ober is gul met de cassislikeur, de vier euro worden ten volle gevalideerd.

Wat later zit ik wederom genietend aan het groezelige tafeltje buiten. Ik tel ter verstrooiing vieze kringen op het tafelblad: 13. Hier komt veel volk langs en dat pleit voor de zaak. Wanneer ik de ogen sluit en in de brandende zon de innerlijke rust zoek, raken de gemoederen bij de Kempische buren plots verhit. Ze gooien bevindingen heen en weer over mannen en vrouwen en waarom die dezer dagen nog maar zelden bijeen blijven. De woordvoerder van het gezelschap onderstreept dat mensen daar vroeger tenminste écht moeite voor deden.

“Nu gooien ze voor een bagatel meteen de handdoek in de ring. Ongelooflijk”, voegt hij eraan toe.

Na de nuptiale discussies verstomt het gesprek even, tot de man in het wielrennersbroekje het over een andere boeg gooit. Die van de koers, uiteraard. In het Bargoens vertelt hij iets over de liefde voor wielrennerij, trainingen en tegenslagen onderweg. Hij schetst hoe het fout kan gaan met ketting en derailleur en hoe een amateurwielrenner zijn rijwiel het best onderhoudt. Lichaamsvocht blijkt een wondermiddel bij uitstek.

“Want weet ge”, zegt hij weinig discreet tegen zijn buur aan tafel, “wat ik ’s morgens doe als ik opsta? Ik vang de eerste urine van de dag op in een potteke. Een paar druppels, meer niet. En weet ge wat ik daar dan mee doe?”

Ik zit op amper twee meter van de man. Ik wil niet weten wat hij met het vocht doet, waar hij het steekt of in welke macrobiotische cocktail hij het verwerkt. Maar plots zegt hij doodleuk:

“Ik repareer daar platte tubes mee. Niks plakt zo goed als verse pipi! Smeer het op een lekke band en ge zult zien dat die nooit meer lost.”

Ik voel nattigheid. Verslik me in een slok Kir. Hoest me een ongeluk en zie potjes vol geel vocht voor mijn ogen draaien. Ik vraag me af wat mensen bezielt om dit thema en publique aan te snijden en waar zo’n gesprek in godsnaam eindigt. Op ongeveer hetzelfde moment komt de jongste van mijn kroost aan mijn tafeltje staan, terwijl hij zenuwachtig van het ene been op het andere huppelt.

“Mama, ik moet pipi doen!”, schreeuwt hij uit volle borst.

Ach, die timing.
Zou er hem een grote toekomst als wielrenner wachten?