bene van eeghem blog

Het merk van de confituur

Een week geleden is het al, dat we ze uitzwaaiden op de parking. Het oudste kind. Ze vertrok voor het eerst op een echt kamp. Voor de volle 8 dagen, een dikke 200 kilometer van huis.

“Zie je ‘t zitten, meid?”
“Jajaaaaa….”
“Flink luisteren naar de moni’s hé!”
“Jajaaa…”
“En elke dag een verse onderbroek….”

Maar bij het woord ‘aantrekken’ was ze al uit het gezicht verdwenen. Op datzelfde moment stond een ander meisje, even oud als zij, wel nog bij haar moeder. Sip. Tranen. En dat ze mama zou missen. De mama had het even kwaad: een kind in andermans handen meegeven naar onbekende oorden is een opgave. Daar moet elk peperkoeken ouderhart aan wennen. Misschien omdat het herinneringen oproept. En omdat zo weinig dingen veranderen.

Het was op dezelfde parking, ergens eind jaren ’80. Ik vertrok op kamp met het ziekenfonds. Hartsvriendin aan mijn zijde, favoriete knuffel én een paar Joepies in de rugzak: de essentie. De rest van de bagage had moeder geregeld.

“Flink zijn hé meisjes!”
“Jajaaa…”
“En op tijd naar bed en goed luisteren!”
“Jajaaa…”
“En vergeet niet elke dag…”

Er volgde vast ook iets over verse onderbroeken of sokken, wat we nauwelijks of niet oppikten. Te druk bezig met tateren en lachen. Boordevol plannen voor de komende tiendaagse. Die kaartjes naar het thuisfront: het was onze laatste zorg. Ze zouden vast wel geschreven raken, ergens tussendoor. Geen prioriteit. Wij glimlachten, de moeders huilden en eigenlijk snapten we niet waarom. We kwamen toch terug?

Vanop afstand misten we het thuisfront uiteindelijk wel, als de activiteiten in het ‘heem’ even stil vielen of het avondeten op tafel kwam. De rustpuntjes. Op zulke momenten voelden we dat het thuis anders was. Het eten. De babbels. Het merk van de confituur. Het aantal lepels chocopoeder dat in de melk mocht. Zelfs al zijn er dat op kamp een pak méér: we misten de norse stem die zei dat het welletjes was geweest. En we wilden heel even niet met de reisgezellen, maar doodgewoon met broer, zus of de maat uit de straat spelen. Want een kamp is geweldig, maar thuis is zoveel meer.

Het voelde alsof we nog niet half vertrokken waren, toen we tien dagen later weer op diezelfde parking stonden. Moe maar voldaan. Thuis. De nestgeur. Het moment waarop we afscheid namen van kampmaatjes, moni’s, intense momenten met een lach en een traan. Moeders glimlachten, wij huilden. En we sleurden een berg vuile was achter ons aan.

De enige flashback heette een groepsfoto, die we pas veel later in handen kregen. Daar moest je op wachten. Lang wachten, tot aan de reünie, ergens in het najaar. De herinneringen waren al wat vervaagd maar toch kribbelden we driftig namen en adressen op papier. Schrijven deden we hoogstens nog één keer. We hadden het te druk met opgroeien. Te druk met denken aan een volgende zomer.

Morgen komt ze ook terug thuis. Het oudste kind. Ze zal moe maar voldaan arriveren, met een berg vuile was achter zich aan. Ze zal brullen van contentement als ze ons ziet. Ze zal vertellen dat het fijn was, dat de pannenkoeken lekker waren en de waterspelletjes leuk. Ze zal ook zeggen dat ze ons gemist heeft. Hij zal blij zijn dat hij weer kan kibbelen en stoeien met zus.

Er is weinig veranderd. Aan kinderen, aan kampen, het merk van de confituur. Aan hoe zomerherinneringen komen en gaan. Wat na jaren rest is hoogstens nog een brief die je terugvindt, een verschoten sjaaltje of een postkaart van het kamphuis. En de groepsfoto. Die maken mama’s vandaag zelf op de parking, vlak voor het vertrek. Het is een foto waarop je nooit meer moet wachten. Dat is het enige wat wél is veranderd.

Kampmama's