bene van eeghem blog

Poëzie van de koers

Het is 6 april 2014 als ik dit schrijf. De ultieme sportieve hoogdag, de dag van de Ronde, de koers der koersen, Vlaanderens mooiste. De renners stonden voor dag en dauw al op de mooiste markt van ’t land. In Brugge. Tientallen toppers in strakke pakjes met bekoorlijke perfect geschoren benen, wachtend op het startschot. In hun kielzog een gigantisch peloton. Klaar voor de strijd.

Een kenner ben ik niet en de finesses van het rennen gaan eigenlijk aan me voorbij. De echte liefhebbers zullen dat misschien niet graag lezen. Want de koers is vechten, zeggen ze. Dat is slim zijn, dat is tactiek en de concurrenten geen kansen bieden. Dat is ploegmaats uit de wind zetten en hen laten demarreren op momenten dat het ertoe doet. Dat is het gat dicht rijden. De click pedals. De chasse patate. De flanellen benen. Commentatoren en doorwinterde supporters gaan er eindeloos in op. Ze schreeuwen tegen de televisie en gesticuleren naar de radio. Dan denk ik telkens weer: waarom?

Wielrenners, dat zijn in mijn ogen mannetjes die hard fietsen, nu en dan achterom kijken en verbeten verder doen tot de eindmeet in zicht is. Op karakter en uithouding. Met snot dat druipt uit ieder neusgat. Ik snap de tactiek zelden maar misschien ontroert de verplaatsing van die karavaan door het land me méér dan ik zelf besef. Want bij de start van die Ronde komt hier in de woonkamer wel telkens het platste chauvinisme bovendrijven. Net als wanneer Club Brugge speelt, terwijl ik van voetbal ook geen kaas heb gegeten. Dan ga ik heel even vol overgave mee in het supportergeweld. We zullen winnen. Brugge boven. Ook bij de start van de Ronde. Het is een soort van puberaal genieten.

Op deze 6 april is dat niet anders. Cancellara, Van Avermaet, Vansummeren, Roelandts. Ze bevonden zich voor de start van de koers heel even op een boogscheut van mijn deur. In Brugge. Ze charmeerden de sportliefhebbers met hun kunnen en zetten die Scone nog eens op de kaart. Zelfs al heet het een provinciestad zonder nachtleven te zijn: wanneer de Ronde in gang getrapt wordt, ziet iedereen hoe sprookjesachtig het decor hier is. Het is lyriek waar ik me al eens graag in wentel. Van het Belfort, over de kasseien tot aan de gelikte trapgevels: de clichés worden tijdens Vlaanderens mooiste kamerbreed uitgesmeerd. Terwijl er natuurlijk tientallen andere toffe plekjes zijn in de stad die nooit het nieuws halen. (Misschien maar goed. Some secrets are best kept secret.)

Vrij snel na de start deemstert de magie van de Ronde thuis ook weer weg. De renners verlaten Brugge in ijl tempo en verdwijnen voor mij op de achtergrond. Ik haal voor de rest van de dag voldoening uit de occasionele verslaggeving op radio. Onder het bloggen door hoor ik wie er op kop rijdt, demarreert, valt, opgeeft. Op TV zie ik flarden Vlaanderenland, groen en kronkelende wegen. Ik denk aan Jacques Brel en hoe hij dat ooit in een schoon liedekijn goot. Het aantal resterende kilometers in de bovenhoek van het scherm slinkt. Ik besef op dit moment: hierhebben mensen een vol jaar naar uitgekeken, en straks is het weer voorbij. Vluchtig.

Eén keer stond ik tijdens zo’n koers wel aan de kant van de weg en voelde ik het opstuivende grind prikken tegen mijn schenen. Het was 2006, tijdens de driedaagse van West-Vlaanderen. Het peloton reed van Brugge naar de kust en passeerde letterlijk voor de deur van mijn petekind. We vierden zijn communie en spurtten als bezeten naar buiten toen de karavaan dichterbij kwam. Ook toen snapte ik geen jota van die hele tactiek in het wielrennen. Maar de zindering van het peloton dat luttele tijd later voorbij stoof: om nooit te vergeten. Je kunt zoiets degusteren zonder kenner te zijn. Eerst het geruis in de verte. Dan naderende auto’s en geluid dat aanzwelt. Claxons. Spanning. Extase. En dan passeert het beest, zoeffff, in een waanzinnig tempo, een bliksemschicht. Het gedaver doet je nekharen overeind staan en het is voorbij voor je ’t echt beseft.

De sensatie was kort en de adrenalinestoot fenomenaal. Op het trottoir werden we in één nanoseconde gek van opwinding. Iedereen lachte, joelde en applaudisseerde. Het petekind bleef me toeroepen: “Heb je ‘m gezien, babouche? Heb je Boonen gezien? Ik heb ‘m gezien! Echt! Hij reed daar! Echt, daar hé!” Dat was oprecht en aandoenlijk. En ook een heel klein beetje gelogen. (‘gezien’ hadden we Boonen helemaal niet. Coureurs passeren aan een moordvaart en dan is het al een huzarenstukje om de valhelmen van de frames te onderscheiden)

Vandaag is zondag 6 april 2014. Net na 16u, zegt de klok. Vanuit mijn ooghoek zie ik op TV: nog 38 kilometer te gaan. De wielrenners bevinden zich op de Taaienberg en de verslaggever meldt met kirrende stem dat het peloton ‘in alle voegen kraakt’. Boonen en Cancellara gaan in de aanval. Vandenbergh en Devenyns rijden op kop maar een gedoodverfde winnaar van de Ronde is er nog niet. “Alles kommt zu dem der warten kann”, voegt de reporter eraan toe. Alles komt, als je maar geduld hebt. Dat is mooi. Dat is waarheid en poëzie. Dat is wat ik zo verdomd schoon vind aan de koers. Je hoeft niet alles te begrijpen om ervan te kunnen genieten. En aan de meet… wint de sterkste. Altijd.

11 antwoorden

Reacties zijn gesloten.