bene van eeghem blog

Zomerstorm

Rond 5u hing ze tijdens de zomerstorm aan mijn rokken – of beter gezegd: aan mijn pyjamashort. De bliksem was overal, de volledige woonkamer baadde in licht. Het water viel al een poos met bakken uit de lucht. Het leek door de wind zelfs van links naar rechts te regenen, in plaats van boven naar beneden. De knal daarbovenop had haar finaal uit haar kleinemeisjesslaap gelicht.

Toen kwamen er nog eens hagelbollen bij. Ze bonkten letterlijk tegen het vensterraam. Pingpongballen, en groter. Het geluid was oorverdovend. Op zo’n moment hoor je een kroost te sussen, zelfs als je niet echt weet wat er nog op je afkomt.

Ze huilde, bleef huilen en riep onophoudelijk: “En wat als ons huis kapot gaat? En wat als al de auto’s verdrinken in zoveel water?”. Pertinente vragen waar ik op dat uur niet meteen een straf antwoord voor bedacht. Ik dacht alleen aan Maria von Trapp. Aan die scène waarin het onweer losbarst en ze de zeven koters van de kapitein in bed neemt om een liedje te zingen.

Ik kroop met dochterlief in de sofa en maande ze aan om niet te bang te zijn. Aan leuke dingen te denken: dat ijsje aan zee, de dag ervoor. Het ritje op de go-cart en de spaghetti achteraf. Dat was toch leuk en hé: we wonen in een stevig gebouw. Dat gaat niet zomaar kapot en die auto’s kunnen wel wat water hebben.

Het leek te werken. Ze verlegde de focus naar de buren om de hoek. Naar waar haar beste maat – al grinnikend zeggen we: haar verloofde – sinds kort woont. Zou het daar wel goed komen? Want ze waren pas verhuisd en straks was dat nieuwe dak misschien ook kapot? Waar moest hij dan gaan wonen? In één adem deed ze een pienter voorstel: dat hij uiteraard bij ons mocht komen wonen. Want ze heeft een dubbel bed en hij zou dat vast hij niet erg vinden, dat hij dan hier logeerde. Toch, mama?

Nog een knal. En nog een. En nog een. Bliksems bij de vleet, en hagelbollen tot achter onze oren: er kwam geen eind aan. We waren perplex, het lichtspel was prachtig, maar ik zag de figuurlijke bui al hangen. De schade achteraf zou groot zijn, de kopzorgen evenzeer. Ook al is ‘blik maar blik’ en ‘glas maar glas’.

We kropen tegen zessen terug in bed. De volgende ochtend scheen de zon en was de straat bezaaid met wat de storm zoals wegblaast. Takken. Stukken plastic. Stenen. Bloemen. Afval allerhande. Buren veegden de stoeptegels, hielden hun zondagse beleefdheidsbabbel en maakten de balans op na het natuurgeweld. Het was ongezien, en ‘oh madam, jen otto! Vul mé pitjes, zeg, helèk mè Sienksen, voarig joar!’ (de buurman van nummer 9).

De zwaarste storm in tijden: daar was iedereen het roerend over eens. Hij was letterlijk voor de deur gepasseerd en de mannen van de brandweer zouden hun pluk hebben om dat nog allemaal opgeruimd te krijgen. Zonde van de auto’s ook, want blik is blik, maar een mens ziet dat blik niet graag aan flarden gaan. En de premie van de brandverzekering? Daar zou ook weer stukje bijkomen, in 2016. ‘Ort mo nomme woorden!’ (dezelfde buurman. Hij heeft alle kennis in pacht.)

We rondden de beleefdheidsbabbel af. Zaten wat later nog gedrieën met sandwiches, choco en zondagse zoetigheid aan tafel. Dochterlief bleef herhalen hoe gevaarlijk het al niet was geweest, de vorige nacht, en dat we geluk hadden dat ons huis nog recht stond. Dat we nog lèèfden, zelfs! Haar broer was slechts matig onder de indruk. Had niks van dat geraas gemerkt. ‘Ik slaap gewoon ’s nachts’, zei hij gefingeerd achteloos, met een propvolle mond. ‘Ik word nergens wakker van.’

Maria von Trapp wist het ook al: zomerstormen zijn a dirty motherf*cker. En échte mannen, die worden nergens wakker van.

https://youtu.be/5qRJIBtbc2c