bene van eeghem blog

Rij, rij, rij

Morgen is D-day. Dan berichten ongeduldige kranten en nieuwsbulletins vast al over “de” zomer van 2016. Een karrenvracht statistiekjes, blitse quotes en luchtige analyses later zullen we weten hoeveel zon- en regenuren er waren. Hoeveel gewone, hoeveel frisse en hoeveel bloedhete nachten. Hoeveel mensen de trein namen naar zee. En: of de horeca tevreden terugkijkt op al dat zwoele schoons.

Niemand zal het hebben over dat ene meisje, en hoe ze vorige donderdag bloednerveus tussen Brugge en de kust over de weg reed. De ‘L’ kleefde op de achterruit, de lesgever zat rechts van haar, de examinator achteraan. De thermometer in de wagen gaf 30° Celsius aan. De zon zakte in stijl.

Wij waren op weg naar zee.
Zij legde haar rijexamen af.

Uit respect en medeleven hielden we afstand van het autootje. We wilden haar niet op de hielen zitten, niet bumperkleven, haar niet nog meer stress bezorgen. We reden op het seutige af: 48 waar je 50 mag, 67 waar je 70 mag. Geen bruuske inhaalmaneuvers, niet al te defensief wezen. Onze empathie grensde aan het onmetelijke.

Het hielp, zo bleek. Ze hield netjes rechts, met voldoende afstand van het fietspad naast haar. Ze vertraagde waar het moest, versnelde zonder overdrijven, en remde tijdig toen het licht op oranje sprong. Oef. We slaakten als achterliggers een zucht van verlichting. Ooit waren wij het, die met twee afgevaardigden der rijschool in de auto ons bekwaamheidsbewijs moesten scoren. Ooit hadden we hetzelfde angstzweet uitgezweet en met dezelfde klamme handen het stuur plat geknepen. Leren rijden doe je nooit met de glimlach.

Het licht sprong op groen en het meisje wilde vertrekken. De motor viel stil en de wereld leek dat ook te doen. We hielden de adem in, plooiden de duimen en dachten: als ze nu maar… En ze deed het. Herstarten, met de blik op scherp en focus op het verkeer. Bij het volgende verkeerslicht remde ze nog eens netjes af. En toen het ook daar groen werd, viel de motor nog eens stil.

Toen wisten we: kans verkeken, tenzij er nog een mirakel geschiedde. We bleven op afstand en voelden haar ontreddering, terwijl de zon verder zakte aan de horizon. Ze leek het noorden kwijt en slingerde onverwacht. Reed heel kort over de volle lijn aan haar linkerkant. Stuurde bij naar rechts met het examencentrum in het vizier: nog 500 meter traject af te leggen.

Het meisje sorteerde voor om rechts af te slaan. Wij passeerden en zagen een sip gezicht en rood aangelopen ogen. De instructeur had de blik op oneindig en wist: leerlinge heeft de test niet doorstaan. In de achteruitkijkspiegel zagen we nog net hoe ze afdraaide zonder achterom gekeken te hebben. Terwijl je dat best heel erg overdreven doet, als ‘L’ en daarna. Het hoofd immer fors naar rechts draaien, net geen nekhernia oplopen, kijken en dan pas beslissen: go.

Ook daar was het meisje de mist ingegaan. Na het slingeren én na die motor die opeenvolgend twee keer stilviel. De conclusie zou ‘gezakt’ luiden. Waarna er nog meer tranen zouden volgen, bij onbegrijpend hoofdschudden van de papa of het vriendje met de pet: ‘Hoe is dat nu toch mogelijk…’

We beeldden ons de scènes in, filosofeerden erover, glimlachten en reden verder. De thermometer gaf 29 graden aan toen we het strand bereikten. We stapten uit en de lucht kleurde rood, oranje, duizend andere kleuren. De avond was van een onmetelijke schoonheid, zoals ze dat aan zee vaak zijn.

Misschien hebben kranten en nieuwsbulletins het daar morgen wel over. Over al die straffe zomeravonden. Over hoeveel flessen wijn we in 62 zomerdagen ontkurkten, hoeveel flesjes zonnemelk we uitsmeerden en hoeveel liters roomijs er zijn geschept.

Dat ene meisje zal het ook lezen, in stilte zuchten en de krant opzijschuiven. Waarna ze zich verder in de wegcode en rijvaardigheid bekwaamt.