bene van eeghem blog

Ostende, bonsoir (2)

De zomer rammelt met onze voeten, zeggen ze. Het is nog nooit zo nat geweest, zo grijs, zo alles-wat-zomer-niet-hoort-te-zijn. Maar pluspunten zijn er ook. Het grondwaterpeil is hersteld en op een schaarse zonnige dag lonkt de kust opnieuw. Ik spoor naar de koningin der badsteden om het vakantiegevoel te verzilveren. Om zeelucht op te snuiven, cultuur te proeven en het zilte water over mijn voeten te zien spoelen.

Het is broeierig heet wanneer ik er aankom. Een korte wandeling op de dijk doet je beseffen dat geen pandemie de échte zomer klein krijgt. Mensen krioelen op het zand, in de zee, langs de dijk. Ik ruik zout en zonnecrème, zie kinderen met ijsjes die sierlijk smelten en druppelen over hun polsen, ellebogen, strandjurkjes. Terwijl ouders de kroost zoet houden met strandscheppen, bootjes en zandkastelen, sjeest het jonge volk met billenkarren heen en weer op de dijk. De zinderende bedrijvigheid betovert en doet me tegelijk wegduiken.

Ik sla de zijstraat in en ben de laatste bezoeker van de dag in het museum van schilder James Ensor. Het huis in de Vlaanderenstraat is gerestaureerd, er is een belevingscentrum aan gekoppeld. Terwijl duizenden toeristen buiten verder vredig bruin bakken, ontdek ik in de koelte het verhaal van de grootmeester. Ik sta voor het monumentale werk ‘De baden in Oostende’ en hoor over dubbelzinnige tekeningen, de ironie, de manier waarop Ensor de wereld een geweten schopte. Kerk, God en de burgerlijke façade kregen een trap onder de kont met creaties die lieflijk lijken. Tenzij je verder kijkt dan de kustlijn lang is.

Wat verder ontdek ik de voetsporen die de man wereldwijd naliet. Ik hoor zijn stem met een heerlijk Ostensch accent in een authentiek radio-interview. Ik lees over schilderijen die intussen de weg vonden naar Firenze, Tokio, New York. Ook Oostende heeft – gelukkig maar – een brok van Ensors oeuvre vastgehouden. We spreken over artistiek goud en het is dat brokje goud dat uit de hoeken van de huiskamers hier ademt. Ik wandel door de authentieke souvenirwinkel van moeder Maria Haegheman, door de kamer van knecht Gust van Yper, tot in het monumentale blauwe salon vol legendarische maskers en de reproductie van ‘De intrede van Christus in Brussel’.

Ensor schilderde het tafereel van zowat tweeënhalve bij vierenhalve meter, vol bezieling. Clownskostuums en capriolen omgeven Christus die de hoofdstad aandoet. Katholicisme en socialisme zijn opnieuw kop van jut. Het straffe is dat de grootmeester de chaos en de aanklacht tot pièce unique verhief, propvol kleur. Daardoor vinden de allerjongsten zijn werk mooi en grappig. Daardoor genieten jong en oud van zijn ongeëvenaarde virtuositeit.

Met een hoofd vol Ensoriaanse zwierigheid en fantasie, stap ik na het bezoek verder door Oostende. Langs de kustlijn, over het strand, tot aan het water. Ik voel de schelpen kraken onder mijn voeten. Zie de zon zakken in de zee, de mensenmassa veranderen, de kustlijn verkleuren. Ik geniet van de blik op de Venetiaanse Gaanderijen, de renbaan, nog verderop het strand van Mariakerke, tot aan de Atlantikwall in Raversijde. Mijn voeten hebben er ruim 6 kilometer op zitten en smeken om rust.

De tram voert me terug naar het hart van de stad, aan de smeedijzeren poort op het Marie-Joséplein. Hier herbeleef je anno 2021 de grandeur van de Belle Epoque. Het was de tijd waarin Ensor zelf door de straten van 8400 flaneerde. Waarin hij ook gefotografeerd werd, ongedwongen, op de plekken die hem na aan het hart lagen. Hij was een man van weinig woorden, een beetje enigmatisch, maar onlosmakelijk met Oostende verbonden.

Ik mijmer er nog even over terwijl ik ’s avonds in een volks eethuis van garnaalkroketten met handgesneden frieten geniet. De meeuwen schreeuwen in de lucht, de avond valt, de kust komt weer tot rust. Dit is vakantiegevoel, alle regendagen ten spijt. De buren aan het tafeltje achter me vragen terloops met een zwaar Limburgs accent ‘welk land ik daar op mijne rug heb staan’. Ik besef dat mijn zomers topje een tattoo verraadt. De hele uitleg geef ik niet. Ik zeg wel dat het een eiland is, een unieke plek die beklijft en waarnaar ik altijd terugkeer, omdat ze in mijn ziel zit. Net zoals Oostende, ’s morgens, ’s middags en ‘s nachts. Ostende, bonsoir.

Tu me promènes, Oostende
Comme tous les soirs
De bière en bière
Et d’histoire en histoire*

(*uit: ‘Ostende, bonsoir’ – Arno)

James Ensor, 1926 – foto: © Antony