bene van eeghem blog

Het recht om te zwijgen

Het is even voor 8 uur, maandagmorgen. We stappen in de auto. De rugzak ligt op de achterbank, ik vraag pro forma of hij zijn boterhammen, drinkbus, zonnebril én pet niet vergeten is.

“Neen mama, alles zit erin”, zegt hij rustig.

Hij is net afgezwaaid uit leerjaar twee en blij dat de schoolboeken opzij mogen. Vandaag begint zijn sportkamp. We laveren door een relatief rustige ochtendspits: de autoradio staat op, het credo luidt dat mama niet graag moeilijke vragen krijgt als ze achter het stuur zit. Want het verkeer vergt alle concentratie en dan is er geen ruimte om correcte of grappige antwoorden op die vragen te bedenken.

Wanneer we met moeite een paar minuten onderweg zijn, vertelt de nieuwslezer dat er iets verandert rond wetgeving en jeugdbewegingen. Ze worden voortaan sneller ingelicht als er een onderzoek loopt naar leiders, omwille van zedenfeiten en kinderporno.

Het bericht gaat mijn ene oor in, het andere uit. Ik hecht er geen aandacht aan. Ik moet het kruispunt over, check links, rechts, en nog eens. Wanneer ik aan mijn maneuver begin, gooit hij er vanop de passagierszetel hardop uit:

“KINDERPORNO! WAT IS DAT?”

Niks om je vrolijk over te maken, jongen. Maar de manier waarop hij het zegt, is heerlijk onbevangen. Toch neem ik de vraag ernstig – we zijn het kruispunt intussen voorbij – en leg in eerlijke, duidelijke woorden uit wat ‘dat’ is. Iets wat niet hoort. Dat grote mensen mekaar graag mogen zien, maar dat het niet met kinderen kan. En als sommige mensen net dat filmen, noemen ze het….

“Pfff”, zucht hij. “Ik vind dat écht niet goed.”

Gelijk heeft hij. Mama denkt er ook zo over. Ze zet zoonlief kort erna aan het sportkamp af, wenst hem een fijne dag en ‘we zien elkaar straks terug’.

Twee dagen later.
Klokslag acht uur, de rugzak ligt weer op de achterbank. Hij zegt er zelf bij dat alles erin zit: eten en drinken en pet. We kunnen vertrekken.

We leggen hetzelfde traject af en weer is er die nieuwsstem met een opsomming van hoofdpunten. Dat de strafwetgeving rond abortus herzien wordt en dat de bisschoppen daar not amused over zijn. Het bericht gaat weer deels aan me voorbij. Ik let op het verkeer en kijk of er geen fietser aangereden komt. Te midden van die stressboog lanceert hij een verse hamvraag, op volume 10.

“ABORTUS! ZO’N RAAR WOORD! WAT IS DAT?”

Herejezus, denk ik. Weer zo’n heikel onderwerp. Ik hoef nu even geen moeilijke thema’s. Maar ik vervul de pedagogische rol desondanks – ouderschap laat zich niet timen – en leg hem voorbij het rondpunt rustig uit dat moeders voor abortus kiezen wanneer ze een kind dragen dat ze niet willen of waarvoor ze niet kunnen zorgen.

“Brengen ze die dan naar een asiel?”

We spreken over ongeboren kinderen, kerel. Die worden bij abortus weggehaald uit de buik van hun mama. Dat zijn moeilijke dingen en daar horen wetten bij, om mensen te beschermen. Je mag er niet over oordelen.

“Doe ik ook niet”, zegt hij achteloos.

Wat later zet ik hem opnieuw op kamp af en zeg veel plezier – goed sporten – ik zie je straks.

Op donderdag zitten we opnieuw getweeën in de auto. Zelfde tijdstip, zelfde route, zelfde bestemming. Geen onthutsende nieuwsfeiten dit keer. De zomer laat zich van haar beste kant zien, ik hoef vanochtend eens niet diep na te denken over strategische antwoorden op moeilijke vragen. Tot we twee straten voor het sportcomplex heel even stilstaan – een tegenligger in een smalle straat – en hij zijn kans schoon ziet.

“Mama, vorige week had ik in de badkamer iets gezien.”
“Oh ja, wat dan?”
“Een tubetje zalf.”
“Oké.”
“En er stond AAMBEIEN op. WAT IS DAT?”

Ik zucht en laat mijn voorhoofd schaterlachend tegen het stuur vallen. Oh boy. Het recht om te zwijgen: ik beroep me er vanaf nu op. Intussen lacht hij als een man van 8 kostelijk, onwetend en lichtjes gegeneerd mee.

Ik denk dat ik vanavond mijn badkamer maar eens opruim.