Luchthaven Oostende, 4u45
Het riedeltje van ‘Popcorn’.
Klankfragmenten uit een ander sterrenstelsel.
Gefluit van een vrolijke merel.
Ik hoor de geluidseffecten één na één passeren bij het ochtendgloren. Ze komen uit de smartphone van de man op een stoeltje tegenover me. Ook hij zit hier, op een weekdag, op de luchthaven van Oostende. Hij wacht op een vlucht naar het zuiden.
Wanneer de man voor de tigste keer een ringtone op de smartphone uittest, wordt zijn eega kregelig. Ze streelt liefdevol over het kopje van het dashondje dat meereist, maar de genegenheid richting wederhelft is ver te zoeken.
“Waarom prutst ge met al die geluidjes?”, bijt ze.
“Ik wil een nieuwe beltoon instellen”, antwoordt de man achteloos.
“Nergens voor nodig, ge wordt toch bijna nooit gebeld”, luidt het antwoord.
Een statement. Waarna ze nog eens op haar horloge kijkt en zucht. De nacht is nog niet voorbij, het wachten duurt. Eindbestemming zon ligt in het verschiet maar een mens moet er iets voor over hebben. En dan duikt uitgerekend bij hun vlucht het meest bedreigende zevenletterwoord op. DELAYED, zegt het aankondigingsbord.
“’t Is toch niet waar zeker”, zegt de dame kribbig. “Ik had het nog kunnen dénken. We waren vroeg wakker, op tijd hier, en hup, ’t is van dat. Vertraging!”
De man kijkt op zijn beurt naar de lettertjes die oplichten. Wikt en weegt zijn woorden. Wil de situatie neutraliseren maar beseft: mijn teergeliefde staat op scherp vanochtend. Na wat heen en weer schuiven op zijn stoeltje kondigt hij aan dat hij even naar het toilet gaat.
“Niet te lang hé”, krijgt hij als verwittiging. Alsof zijn vrouw vreest dat de plaspauze tot ver na aangekondigde vertraging zal aanslepen. Ze laat hem desondanks gaan, swipet op haar smartphone en kijkt in het rond. Er is écht niks te beleven op een kleine regionale luchthaven in het holst van de nacht.
Geen bars, winkels of uitspattingen van bloeiende middenstand. Geen stemmige achtergrondmuziek of een va-et-vient van vluchten. En dus staar je gebiologeerd naar die aankondigingen. DELAYED blijft op één lijn, de hare, hardnekkig staan. De dame aanvaardt haar lot. Dan keert manlief terug van het toilet.
Hij plukt het hondje van haar schoot en waagt zich aan een wandeling van goed 15 meter, tot bij een glimmende e-car die in de luchthaven tentoongesteld wordt. Het is een attractie met een stevig prijskaartje: 39.000 euro. Meneer buigt zich over het infobord met de technische kenmerken en knikt instemmend. De dashond snuffelt intussen nerveus aan de vloer, op zoek naar iets wat hij nooit zal vinden.
Wat later vervoegt het baasje de eega opnieuw en zegt met enig ontzag dat het straf is, de auto’s die ze tegenwoordig bouwen.
“Als ge zoiets koopt moet ge nooit meer tanken. Dat is toch een voordeel.”
De vrouw keurt de auto geen blik waardig, is vooral tevreden dat het hondje terug bij haar zit. Ook al hakt de vertraging erin: ze is echt klaar voor vakantie. Laconiek reageert ze:
“Tja. Het zou erg zijn dat ge nog naft moet betalen als ge al de prijs van twee auto’s neertelt? Die van ons kostte destijds de helft zo veel: DAT noem ik een voordeel.”
Ik duik achter mijn handbagage. Om het proesten te verbergen en omdat ik besef: zo kruipt de mot in een huwelijk, om 5 uur ’s ochtends. En ook: dat het leven niet eenvoudig is, als je met een dashondje en een stekelige echtgenote naar Alicante vliegt. Wij gaan elders heen, zonder hond en met iets meer relativeringsvermogen. Dat is misschien wel het grootste voordeel.


