bene van eeghem blog

Vier hoog

We zitten doodgewoon op kantoor, vier hoog. Daar ziet de wereld er een beetje anders uit. De dingen beneden zijn kleiner, mensen bewegen trager en lijken stiller. Op een kalm moment staart een collega door het raam en ziet de duif, daar op de parking. Het beest zit roerloos naast de inrit. Wanneer een auto voorbijrijdt, wil hij wegvliegen, maar het lukt niet echt. De collega is ontroerd en kreet een zacht “ocharme, dat beestje”.

Even later staan we gevieren collegiaal naar het tafereel te kijken. Duif zit nog steeds stil. Duif durft niet te bewegen. Lijkt gevangen, slaat geen vleugels meer uit. We zijn gevieren geraakt in het diepst van onze ziel en willen het dierenleed instant verzachten, vanop vier hoog.

Net op dat moment komt een dame met een rollator aangestapt op de parking. Ze houdt op haar beurt halt bij het gevleugelde slachtoffer, probeert het moed in te praten. Maar de duif verroert geen vin. Het besje nadert nog wat dichter, wil het dier zien bewegen. Tevergeefs. Het is dan dat we op vier hoog een kordate beslissing nemen: hier moet dierenwelzijn ingeschakeld.

De collega en ‘eerste betrokkene’ speurt op Google, grijpt naar de telefoon en belt het dichtstbijzijnde vogelopvangcentrum. Ze legt uit wat er aan de hand is en vraagt wat we moeten doen om te helpen. Het opvangcentrum is formeel: indien mogelijk in een doos stoppen en naar deskundige verzorgers brengen. Omdat het opvangcentrum op 25 kilometer ligt, worden we doorverwezen naar een kleine lokale afdeling. De collega noteert het nummer, haakt in en vervoegt ons terug aan het raam. Ze zucht.

Beneden weet de duif inmiddels niet meer van welk hout pijlen gemaakt. Hij wil fladderen maar slaagt er niet in en ons gemoed schiet opnieuw vol: ocharme, dat beestje. Maar dan stapt de koffiedame het bureau binnen. Ze ziet ons staan voor het raam en vraagt wat er aan de hand is. We wijzen: daar, beneden, kijk, die duif. De kleine stakker is hopeloos verloren, voegen we eraan toe.

De koffiedame plaatst het in perspectief:
“Volgens mij speelt hij theater of wacht hij op zijn lief. Hij zat er gisteren ook al. Niks mis met die sjarel.”

We lachen om haar gevatheid maar zeggen dat we het toch vreemd vinden, een vogel die niet wegvliegt. Wil zij misschien poolshoogte nemen beneden, aangezien wij de werkplek niet mogen verlaten? De koffiedame stemt in, zegt dat ze vanop de parking ‘teken zal doen’ als het beest in orde is. We halen opgelucht adem.

Terwijl de koffiedame afdaalt, blijven we gebiologeerd naar buiten staren. De duif zit te zitten en geeft nagenoeg geen teken van leven. De dame met de rollator is al uit het gezicht verdwenen. Zonder aarzelen neemt de eerste collega de telefoon weer ter hand en belt de lokale afdeling der vogelopvang. Ze krijgt meteen gehoor en schetst de situatie opnieuw. Of wij deskundige hulp kunnen krijgen?

Tijdens het gesprek zien we de koffiedame beneden op de parking verschijnen. Ze stapt resoluut op de duif af. Het beestje waggelt rustig weg, slaat een paar keer met de vleugels. De koffiedame nadert nog wat dichter en klapt in de handen, waarop de duif voluit fladdert en vrolijk wegvliegt. We zien het allemaal gebeuren en roepen als kleine, blije kinderen: jaaaah! Hij is weg!

De collega – nog aan de telefoon – schrikt en laat de hoorn prompt zakken.
“Wat scheelt er, zeg?”
“Hij is weggevlogen!”
“Die duif?”
“Ja.”
“Zomaar?”
“Ja!”
“Maar enfin…”

Tegen de persoon aan de andere kant van de lijn meldt ze beleefd dat de zaak is opgelost: duif weggevlogen, toestand weer stabiel. De koffiedame beneden geeft tegelijk het oké-teken, waardoor we met gerust gemoed terug aan de slag kunnen. Oef. Ook op vier hoog is zulks een échte verademing.