bene van eeghem blog

De ‘buus’ van Kestag

Een ritje op de lijnbus naar de Brugse binnenstad: nothing beats it. In een ver verleden pleegde ik er al eens een blog over. Mijn geweten achtte de tijd rijp om het opnieuw te doen.

Het was vorige week, op een doodgewone grijze voormiddag. Ik stapte naar de halte achter den oek en ontwaarde er twee wachtende dames. De oudste, 70+ en frêle, zat rustig op de bank. De andere, 65+ en corpulent, stond te ijsberen op het voetpad.

Over kledingstijl mag men niet oordelen, maar het ijsberende volume mens had zich danig uitgesloofd in de verkeerde richting. Ze was voorzien van een asymmetrisch afgeknaagd kapsel en dweepte ongemeen hard met het merk Agu Sport: vormeloze donkerpaarse regenjas, veel te grote kaki regenbroek (voor fietsers, niet voor voetgangers) en daaronder een setje niet zo heel mooie orthopedische wandelschoenen. Over haar G-cup had ze een draagtasje van Agu gegespt. Waardoor er toch enige rondingen opdoken, zij het niet de rondingen die flatteren. Maar dit terzijde.

Vrouwe Agu was keihard gefocust op de Scheepsdalebrug verderop, waar de bus vandaan moest komen. Ik stond tussen haar en het besje in toen de hel losbarstte. De brug ging omhoog en het verkeer viel stil.

‘Lappe!’, posteerde Agu prompt. ‘Noh een streepe vertrahienge d’erbovenèp. Oe lange stoan mieder ier ol? Tehen dattie arrivèrt is ’t verzekerst Kestag*!’

De furieuze mededeling scheerde rakelings langs mijn neusvleugels. Het besje antwoordde zachtjes:
‘Och ja. Je zattie wel kommen wè, zie g’rust.’
(dat heet: bemiddelen op bejaarde leeftijd. Het dwingt respect af.)

Ik glimlachte naar het frêle mensje. Ze had een risico genomen en vrouwe Agu zag er een gratuite uitnodiging in om verbaal ganz los zu gehen.
‘Daddès ier oltied ’t zelste. Ze promoten ton ’t openboar vervoer in ‘t stad. Mo zieje gie buussen passeren? An den andere kant, ja. Zesse ekder ol hezien, doar. En iere? Hènne, vènt. Hènne! Openboar vervoer? Me hat!”

Ik pretendeerde niks te horen. Staarde gebiologeerd naar de stoeptegels, bedacht dat het zo vreselijk aangenaam wonen is in Die Scone. Echt wel. Het was alsof vrouwe Agu die gedachten kon lezen en het gevoel instant van mijn harde schijf wilde wissen.

‘En wa seggen ze noh? Bruhhe fietsstad. FIETSSTAD! Ja hallo. Mejje veeloo èp de kasseien en je hoat direct ip je aanhezichte. Fietsstad. Enkele richtienge no ’t AZ, ja!’

Besje en ik keken elkaar kort aan. Onze ogen kruisten. Anderhalve generatie lag er tussen ons, maar we begrepen elkaar zo intens. Agu no good. Agu bad vibes. Avoid Agu.
Intussen ging de brug in de verte terug dicht. De gesponsorde hoop canvaskleding bevestigde op militaire toon: ‘Da wier tied. ’t Hod olheliek nog lukken vandaage. En ksien de buus ol kommen. ’t Zat den onzen wel zien, zeker?’

Eilaas in veelvouden. De eerste zeswieler die naderde bleek de 31 naar het station, niet de 13 naar de stad. Vrouwe Agu wou naar de stad en was er nogmaals aan voor de moeite.

‘‘t Was te peizen! Noh ekkè wachten! M’en toch niet te doen! Tied zat, vènt, nie te helowven!’

Besje en ik knikten stil naar elkaar. Avoid Agu. Agu no good.

Bus 13 meldde zich luttele tijd later. Inmiddels hadden zich een zestal mensen aan de halte verzameld. Vrouwe Agu veegde alle concurrentie van de baan en stapte als allereerste kordaat op. De chauffeur was kop van jut en ontving een donderpreek: ‘Awel ’t ès proper. De menschen azo in de koede loaten stoan. An den andere kant ziender ol zeven buussen hepassèrt, en ier hènne. Kujje gie dat uutleggen?’

De chauffeur glimlachte en kaatste terug: ‘Abba bajoak. Mo k’en hèn hoeste voo dat te doen vandaahe.’

De repliek, de stijl, de timing.
Ik had die chauffeur van de 13 zo graag instant omver gezoend.
Of ten huwelijk gevraagd.
Maar tussen droom en daad…

(* Kerstmis)