bene van eeghem blog

Soldatenbenen

Sinds kort luidt de hamvraag tussen de vier muren waar wij leven: “Rarara…”

Ze wordt dagelijks gesteld, tot vijftig keer toe, en doorgaans hangt daar dan een absurde woordspeling of een toograadseltje aan vast. Dat is geinig. Dat heb je met vedetten die lagere school lopen en stilaan alles kunnen lezen. Ze leren humor herkennen – al is een handleiding tot die humor vaak niet overbodig.

Zij leest, ik verduidelijk als het even kan. Wanneer ik boven mijn kookpotten sta, administratie regel, een wasmachine vul/leeg of zelfs gewoon achter het stuur zit. Anytime. Ze heeft het moppenboek voor jonge lezers – kerstcadeautje – in de hand en roept gezwind: “Rarara… het is wit in het staat in de hoek. Wat is het?”

Ik moet toegeven dat ik negen op de tien keer een origineel antwoord bedenk, maar dat dat een fractie moeilijker ligt wanneer ik bij druilerig weer net een maneuver op de snelweg uitvoer. Of een kruispunt over moet. Of koortsachtig zoek naar een parkeerplaats. Dan herhaalt ze de vraag, luid en duidelijk.

“Allez, mama, weet je het niet? Wit? En het staat in de hoek?”
“Neen, meid, sorry, ik moet me even concentreren.”
“Een gestrafte doos melk! Wahaaaaaa!”
(Schaterlach. Zij en haar jongste broer. Ziet u ‘m al staan, die doos melk in de hoek? Grappig, ja. Er zijn komieken die een avond vullen met dat soort lollen, dus ik doe er niet neerbuigend over).

Luttele tijd later, wanneer ik nog eens drukdoende ben, komt ze weer aandraven met het boek. Groen licht voor de volgende absurde vraag.
Zij: “Hoe noem je een toilet op de hoogste berg ter wereld?”
(wc’s en wat daarin valt: altijd bingo.)
Ik: “Pfff, ik wéét het niet!”
Zij: “Een hogedrukgebied.”

Dan denkt ze even na. Kijkt bedenkelijk en zegt vervolgens: “Huh??? Wat is daar nu grappig aan?” Dus ik leg het haar uit. Dat een berg hoog is, en dat ‘drukken’ benoorden de grens het werkwoord is waarmee de grote boodschap in de pot gedropt wordt. En dat een hogedrukgebied tegelijk iets is wat voor mooi weer zorgt.

Zij: “Aaaah ja… Maar dat is een beetje een moeilijke mop. ‘Woordspeling’ staat erboven. Ik vind ze eigenlijk niet grappig.”
“Ik ook niet!”, brult de jongste van achter zijn tekentafel.
(Hij is voor geen meter mee in het gesprek, maar treedt zus altijd bij. Two against one: de gezonde spanningsboog in het gezin.)

Ook de grap van een trompetspeler met ‘blaasproblemen’ vindt ze wat vaag. Net als de biljartspeler zonder ‘keus’ en het ding dat acht wielen en twee tanden heeft (een bus vol bejaarden). Niet grappig, naar haar gevoel. Ze heeft het wél begrepen op de kersenschudding (die krijgt een kers als hij uit de boom valt), de spionazie (groente die overal op de loer ligt) en het hondenweer (waarom komen katten niet buiten als het regent? Precies, ja. Daarom.)

Het gegeerde moppenboek maakt zelfs dat ze haar eigen absurde raadsels creëert, tussen de soep en de patatten. Ze bedenkt fopjes – want zo noemt ze die graag – met originele pointes waar zelfs die avondvullende komieken jaloers op zouden zijn:
“Mama, wat is een para?” (we staan in de badkamer en ze heeft een fles shampoo in de hand)
“Euh… huh? Dat is een soort soldaat, madammeke…”
“Oké. Dus… dan zitten er geen soldatenbenen in deze shampoo! Wahahaaaaa! DAT vind ik grappig!”
(Shampoo zonder parabenen. Niet getest op dieren en nog minder op militairen die gehavend uit de strijd kwamen – oef).

Vervolgens gaat ze dat fopje nog eens gezwind aan broer vertellen. Die opkijkt, het in Keulen hoort donderen en kordaat herhaalt: “Pft! Stom fopje! Ik vind het NIET grappig!”.
Zij “Wat vind je dan eigenlijk wél grappig, kleine?”
Hij, laconiek: “Alleen mijn eigen fopjes. DIE zijn grappig. En ook kaka die zwemt. In pipi.”

(wc’s. En wat daarin valt. Altijd bingo.)