bene van eeghem blog

That is kling!

We zijn met vieren en zitten samen op het bankje in de inkomhal. Zij hebben een test voor de boeg, ik een zakelijk gesprek. We wachten onze beurt af en terwijl ik doelloos in het niets staar, grijpt een van de meisjes plotseling naar haar smartphone. Ze windt zich op.
“I always forget this word, always always! What is that thing, there?”

Ze wijst naar de deur, haar vriendin staat recht en wijst ‘that thing’ waarmee je deur opent aan. Ze knikt naar het meisje op de bank.
“You mean this? That is kling!”

Ze herhaalt het een paar keer, tot het meisje met de smartphone hevig knikt en het nazegt: kling. Daarna speurt ze met haar ogen verder de ruimte af, op zoek naar andere nieuwe woorden.

Ik zit, luistervink en geniet. Een taal leren is een immense maar interessante klus. Het gesprek wordt alsmaar geanimeerder en de meisjes willen geen steek laten vallen. In koor ratelen ze hun basiskennis af: deuh, venst-euh, sleutelgat, vloeh, boi-leuh. En dan wijzen ze plots naar iets, tussen de grond en het raam in. Er valt een stilte. Ze weten er geen blijf mee en kijken in mijn richting.
“That is what, mevrouw? Is that lint?”

Ik grinnik en stuur voorzichtig bij: plint. Met nadruk op de p.
“Lint is wat je om een cadeautje doet”, zeg ik erbij.
De meisjes lachen. Als ik pols naar hun herkomst, blijkt de halve wereld plots op het bankje te zitten. Eritrea, Thailand en Tibet: van zo ver zijn ze tot hier geraakt. Ze volgen nu een cursus huishoudhulp en daar komt aardig wat woordenschat bij kijken. Ze moeten bewijzen dat ze die onder de knie hebben. Amper vijf minuten later staan ze gedrieën rond mij, blakend van ambitie.

“U spreken goed Nèdderlands, mevrouw”, zegt het Thaise meisje. “Maar is moeilijk!”
Haar Eritrese medestudente vraagt meteen om de voornaamste woorden te herhalen. Ik doe het met engelengeduld en met aandacht voor alle medeklinkers: deurrr, vensterrr, sleutelgat, vloerrr. Van de boiler weten ze al dat die ook verwarmingsketel wordt genoemd – een term die ik zelf nooit hanteer – maar het knopje in de muur zorgt nog voor problemen.
“And this…?”, vraagt het Tibetaanse meisje aarzelend, terwijl ze me aankijkt, “Is sjaaklaar? Yes?”

Ik grinnik nog eens, zeg dat ze ’t goed heeft maar toch nog op de uitspraak moet letten:
“S-ggg-aa-ke-laar. Met een ggg, géén ssjjj.”

Drie paar ogen staren me verbaasd aan. Dit is een aartsmoeilijke. De meisjes gaan prompt in herhaalmodus, alsof het een mantra is.
“Sgggaa-ke-laar! Sgggaa-ke-laar! Sggg-aa-ke-laarrrr!”.
Ze kijken weer naar mij. Ik knik en zeg dat het best oké is. Ze komen er wel, met die test. Al grappend pols ik ook nog even naar andere essentiële vakgebieden:
“Jullie kennen toch ook pintje? Frieten? Voetbal? Heel belangrijk!”

Waarna: algemene hilariteit.
“Ja! Is makkelijk, pintje. Hier jullie drinken veel pintje!” besluit de Thaise.
Ik beaam. In elk cliché zit een grond van waarheid en die clichés helpen de cultuurkloof hier bovendien vlotjes overbruggen. Het Tibetaanse meisje vertelt me terloops hoe lang ze hier al woont en wat ze allemaal geleerd heeft. Het huis schoonmaken – dat spreekt voor zich – maar ook een eenvoudig gesprek voeren. Zichzelf voorstellen. Dag zeggen, afscheid nemen, en niet te vergeten: strijken!

“Ik strijk nooit”, val ik haar meteen in de rede.
Ze wordt even stil, alsof ik net gevloekt heb in de kerk.
“Nooit strijken? Is zot!”
“Neen, nooit. Ik doe het niet graag. Veel te moeilijk.”
“Allee! Dan ik jou leren. Want jij hebt ook mij Nèdderlands geleerd, mevrouw. Is goed?”

Is goed. Zeker weten.