bene van eeghem blog

Strijkstress

‘De Lijn vervoert je graag’

Die slogan flitst door mijn hoofd na een fikse strandwandeling. Het is een weekdag, de zon schijnt voor het eerst sinds lang. Ik heb zo’n zes kilometer zand en vloedlijn bijeen gestapt. Aangezien de kusttram hier om de haverklap langsrijdt, beslis ik voor de terugkeer het aangename aan het nuttige te koppelen. Ik posteer me aan een halte tussen zee en polderland.

In het schuilhokje staan nog drie wachtenden. Ze zijn de 70 goed voorbij, maar kwiek zonder meer. Met wandelstok én smartphone in de aanslag knikken ze beleefd in mijn richting. Ze vinden het vast gek dat hier zo’n ‘jonge’ vrouw passeert. Ik ben de generatie die eigenlijk aan het werk hoort te zijn. Maar mijn aanwezigheid wordt desondanks getolereerd. Terwijl ik discreet de vertrek- en aankomsttijden van de tram overloop, beginnen de dames een gemoedelijke babbel.

“Al goed dat het zonnetje terug schijnt. Een mens zou het op den duur ontzien om buiten te komen,” verzucht het besje met een grijze nylon parka. Ze heeft net iets te veel oogschaduw op. De geur van goedkoop parfum hangt in lagen om haar heen. Haarkleur: platina.

“Daar zegt ge wat, Suzanne. Het is om depressief van te worden”, antwoordt haar metgezellin.

Ook zij heeft een ietwat vormeloze jas aan, maar de make-up is soberder en getuigt van meer stijl. Bovendien weet ze het voordeel van aanhoudende regen wel te waarderen.

“Het goeie is dat ge veel in ’t menage kunt doen. Ik heb nog een berg strijk staan thuis, mensenlief. Dat komt ervan als ge met een vent samenleeft! Die van mij moet elke dag een vers hemd hebben. Maar bij slecht weer vind ik het dus niet erg om die allemaal te strijken. Ik heb wat verzet de laatste dagen!”

Terwijl de vriendinnen gemoedelijk verder palaveren, zie ik de man in het gezelschap iets dieper in zijn kraag duiken. Schaamte, zo lijkt het. Hij wil liefst in de grond verdwijnen. Hij is het, die kickt op die kraakverse hemden en daardoor is zijn eega de wanhoop nabij. Maar hij wil niet dat de wereld het weet en wendt in stilte het hoofd af.

De compagnonne van Suzanne neemt opnieuw het woord. Ze uit eindeloze verzuchtingen over de strijkstress. Handdoeken, zakdoeken, lakens, broeken, hemden: in haar universum houdt het nooit op. En dan te weten dat haar machine het recent nog begaf!

“Twee jaar oud, ik zweer het, en we hadden er véél voor betaald. Zo’n chique spel met een stoombak, ge weet wel. Maar vorige weekt breekt dat tsjoeppeke bovenaan af terwijl ik bezig ben en hupla, al het water kletste eruit. Roger zijn hemd was foutu. Discussiëren over garantie moeten we zelfs niet proberen. Triestig.”

Ik kijk intussen onopvallend in Rogers richting: zou hij….? Maar de blik staat nog steeds op oneindig. De man hoopt slechts één ding: dat de tram hier prompt verschijnt. Dat dit gesprek ophoudt. Dat we kunnen vertrekken. Ik deel zijn ongemak, maar laat het niet te hard blijken.

Even later is het zover. We stappen op en sporen zoemend richting oostkust. Nog raken Suzanne en haar vriendin niet uitgepraat over de strijkkwestie.

“Weet ge wat”, besluit de parka plots, “Eigenlijk doe ik het mezelf aan. Waarom strijkt een mens zoveel, als alles achteraf toch weer verfrommeld wordt? Eh? Die jeugd van tegenwoordig doet dat niet meer, geloof me. Ik zie het genoeg bij onze zoon thuis. Niks wordt daar gestreken. Niks!”

Na vermelding van ‘de jeugd’ draaien beide dames opvallend synchroon het hoofd in mijn richting. Een korte stilte.

“’t Is waar hé, madam?”, oppert Suzanne fors. “Er wordt niet meer gestreken. Toch?”

Ik knik voorzichtig en kijk weer naar Roger. Hij houdt zich nog steeds afzijdig en wappert met de hand: dat ik vooral niet naar die twee moet luisteren. Ik schiet prompt in de lach.

“Ewel, waarom lacht ge?”, polst de parka kordaat.

“Omdat ik blij ben dat ik niet moet strijken als ik straks thuiskom.”

“Voilà, ’t is bewezen!”

“En omdat u mij ‘jeugd’ noemt. Nooit gedacht dat ik dat op 41 nog zou meemaken.”

(opgedragen aan Roger, zijn geduld én zijn hemden)