bene van eeghem blog

Langs Vlaamse wegen

Vlaamse snelwegen. Ze zijn lelijk. Inspiratieloos. Ze slingeren tussen huizen en slecht gelegen woonwijken. Ze zijn een stukje transit waar je op grijze dagen poëtisch moedeloos van wordt.

Een streep afwisseling vind je pas wanneer je even halt houdt aan de gesponsorde cafetaria van het grote tankstation. Terwijl het buiten miezert en de ruitenwissers zenuwachtig druppels en denkvermogen wegvegen, parkeer je de auto vakkundig en dicht bij de ingang. Je wil zo min mogelijk nat worden. Je verlangt naar onderdak en dampende koffie voor je neus.

Eerst is er de mechanische klik: auto op slot. Dan het zachte gezoem: schuifdeuren gaan open. Daarna alleen galmende echo’s. Je betreedt een ruimte met borden, bestek en slechte akoestiek. Een meerderheid van mannen met uit de kluiten gewassen torso’s, opzichtige tattoos en vormeloze jeansbroeken staart je aan. Je ziet ze koffie slurpen, anekdotes vertellen, de liefde voor de truckersstiel delen. Je ziet ze denken: die komt hier niet vaak. Hun ogen volgen jou en je te deftige kledij tot aan de koffieautomaat, waar je hevig snakt naar het dampende, gebrande zwarte vocht.

De waaier aan mogelijkheden doet je duizelen: macchiato, lungo, small, medium, melkschuim, topping. Nadat je moeizaam de keuzemenu’s hebt doorgeworsteld, komt er gewoon niks uit het toestel. De display blijft knipperen, je staart naar het minuscule gaatje waar je bestelling uit moet lopen. Je heft de beker op, zonder resultaat. Je zucht.

‘Niet gewend van hier te komen, madammeke?’.
Een stoere bonk die daarnet nog aanschoof aan het buffet voor stoverij met friet. Hij heeft immense handen, met zwart onder zijn nagels. Hij is geen droomprins, mist wat tanden, maar je bent desondanks blij dat hij je wanhoop registreert.
‘Zal ik u efkes helpen, misschien?’
Je knikt, zegt dat je een doodgewone koffie wil. Met melk, simpel, gelijk vroeger.
‘Nu vraagt ge veel. Gewone koffie is voor gewone mensen, niet voor schoon volk zoals u hé.’
Je lacht beleefd, bloost een beetje, beseft: stoere bonk, grote mond, gouden hart. Die zwarte nagelranden neem je er gewoon bij.

Even later sta je met het dampende bekertje aan de kassa. De kassierster rekent af terwijl ze haar schort over haar kamerbrede boezem fatsoeneert. Je gaat aan tafel zitten, komt even tot rust: hier geen ronkende motoren, voorbijflitsende witte strepen of inspiratieloze kilometerpalen. Een conference call in de eethoek trekt je aandacht: een jongeman in maatpak toetst visuals, opportunities and deliverables af. Hij doet gewichtig, ook al houdt het gesprek het midden tussen gebakken lucht en ernstig zakendoen. Aan het eind van de babbel vist hij het witte koptelefoontje uit zijn oren en bergt het vakkundig op bij zijn laptop. Maakt aanstalten om cafetaria te verlaten.

Op ongeveer hetzelfde moment drop jij je lege beker in de vuilnisemmer. Je herschikt je haar nog even, checkt of je niks bent vergeten en begeeft je terug naar de auto. Wanneer je wil instappen, komt de jongeman aangelopen. Zijn auto staat naast je geparkeerd: een opzichtig model van een Duits merk, uit Beieren. De vierwieler staat meer dan nonchalant op een ‘blauw vak’, zonder aangepast parkeerbewijs. Je maakt er geen punt van – tijdverlies, quoi – en bent verrast dat de man er gewoon zelf over begint.

“Sorry, zene. Ik mag hier eigenlijk niet staan hé?”
Je glimlacht.
“Als je geen speciale parkeerkaart hebt niet, neen.”
Hij zucht.
“Maar ge kent dat, mevrouw. Een mens is gehaast en zo. Al is dat ook geen excuus natuurlijk.”
Je ziet hem even achter de oren krabben. Hij wil het goedmaken. Weet niet wat gezegd – en dan:
“Eigenlijk ben ik gewoon een verschrikkelijke luiaard met een veel te dure auto hé…”

Je lacht keihard. Om zoveel oprechtheid, op een druilerige dag langs de snelweg. Je weet nu: luiaards in maatpak met zin voor humor zijn schaars goed. Laten we ze koesteren, ongeacht hun parkeerplek.