bene van eeghem blog

Vachement bien

Flashback. Het is november 1993. Een tiener – net geen 15 – mag van het ouderlijk gezag voor het eerst alleen een concert in Knokke bijwonen. Arno speelt ten dans in een sportzaal, kostprijs van het ticket: 450 frank. De Oostendse rocker is een flamboyant performer. De tiener weet: het zal luid zijn, met veel gitaren en de obligate ‘godverdommes’ in de micro. Want Arno musiceert en vloekt in stijl.

De deuren voor het optreden zwaaien om 20 u open. De tiener belandt een half uur later in een donkere concertzaal. Haar brilglazen dampen aan en haar Converse AllStars kleven prompt aan de vloer: gemorste pils hier, omvergegooide cola daar. Het hoort erbij, net als de blauwgrijze smoor die van het plafond nederdaalt. In 1993 is roken in concertzalen volledig legaal. Het mag niet verbazen dat de tiener luttele tijd later zelf haar eerste sigaret zal opsteken. Maar dat doet niet ter zake.

Wanneer Arno ten tonele verschijnt, ontploft de zaal meteen. De drums knallen. De gitaren loeien. Het lichtspel is fel, hoekig, even verrassend als het spektakel op de bühne. De tiener weet dat ze geen kenner van het eerste uur is. Dat ze niet gedurig kan meezingen, maar het hoeft niet. Gewoon luisteren heeft meer cool. Ze geniet, kijkt, en brult alleen als de anderen het ook doen:

“C’est magnifiiiiiique!” (bij Ohlalala)
“Joint-joint-joint!” (bij Les Filles du Bord de Mer)
“C’est vachement bien!” (bij Putain Putain)

Dat laatste zinnetje gaat door merg en been. Putain Putain wordt de uitsmijter van een stomende en onvergetelijke set. De song knalt van de eerste tot de laatste seconde. Van de beklijvende gritaarintro – pling pling pling – over de drumriff tot aan Arno’s schorre en amper te imiteren vocals. De tiener zingt voluit mee. Ook dat fragment van ‘het kleintje dat verre schiet’. Ze schreeuwt danig hard dat ze twee dagen later nog steeds geen deftig woord kan uitbrengen: stembanden tijdelijk aan flarden. Het ouderlijk gezag fronst. Maar dat doet niet ter zake.

Flash forward.

Het is juli 2020. Op een zomerse middag rijdt een veertiger van de kust naar Aarschot. Ze heeft een interviewafspraak op de agenda. Jean-Marie Aerts – aka JMX – zal haar te woord staan voor een cultuurproject. Het is hij, deze JM, die Vlaanderens grootsten producet en begeleidt. Die begeesterd is door muziek en gitaarspel. Die het vak beheerst en nog gedurig bijleert, verder zoekt, perfectioneert. Die er ook bij was, in die concertzaal in november 1993. Die Arno begeleidde zoals alleen een klassebak dat kan.

De veertiger en JM keuvelen gemoedelijk. Er staat koffie met koekjes op tafel. Er liggen stapels cd’s en vinyl in de kamer en er staan her en der gitaren. Ze praten over Zeebrugge en de drijfveren en passies van elke muzikant. Over de dingen die JM belangrijk vindt, over zijn voorliefde voor de Europese sound en het gitaarspel van Jan Akkerman. En dan komt – hoe kan het ook anders – Arno ter sprake. Zijn unieke sound en hoe hij met TC Matic iets op de kaart zette wat België nog nooit gehoord had. JM stond mee aan de wieg van dat verhaal. Van de performance. Van Putain Putain.

De gitarist/producer haalt vervolgens de gitaar boven waarmee het begon. Waarop hij de intro van die song creëerde. Het sleutelwoord heet ‘fantasie’, vertelt JM aan de veertiger. Het afdekplaatje aan de achterkant van het instrument werd er ooit afgehaald. Er kwamen drie veren bloot te liggen. JM jamde erop: pling pling pling. Zo werden de eerste maten van Putain Putain geboren. Het werd een muzikaal statement. Een brok vaderlandse muziekgeschiedenis van formaat.

Op 6 november 1993 speelde JM ook die intro van Putain Putain, in de concertzaal in de Knokke. De veertiger van vandaag stond erbij en keek ernaar. Het is muzikaal vuurwerk waar een mens decennia later nog niet over uitgepraat raakt en diep voor buigt. Want JM én Arno, godverdomme, ils jouent vachement bien. Zeg dat de tiener van weleer het gezegd heeft.

11 antwoorden

Reacties zijn gesloten.