bene van eeghem blog

Chagrin d’amour

Ze zitten knus bijeen in een kring, in de cafetaria van het WZC. De gemiddelde leeftijd van de bewoners is 75+. In de herfst van het leven kampen ze al eens met mist in het hoofd. Om de mist te doen vervagen, organiseert een begeleidster een groepsactiviteit. De oudjes bekijken foto’s, zeggen wat ze zien en borduren verder op kernwoorden. Door beeld, klank en spontane gesprekken, rakelen ze hun flarden levensverhaal op.

Een kunstig portret van een paar mensen in een winkelstraat gaat rond in de groep. De blikken op de foto spreken boekdelen. De bewoners kijken vol aandacht, wijzen naar het kader.

“Is dat hier in Brugge?”, vraagt Odette uit de kring spontaan. “Ik herken die gevel precies!”

Ze heeft gelijk: het is Brugge. De mensen op de foto zijn gewone voorbijgangers. Ze kijken op van iets, net buiten beeld. De groep in de zaal peinst, mijmert en gaat in debat: wat zou het kunnen zijn?

“Het is een foto over geluk”, zegt Antoinette plots. Een paar stoelen verder oppert Jeanne op haar beurt dat het om verbazing gaat. Of neen, beter nog: om verwondering. De begeleidster pikt erop in en vraagt aan ouderdomsdeken Bertha wat verwondering voor haar betekent?

“Als iemand mij zomaar goeiendag zegt”, antwoordt Bertha vlotjes. Haar ogen glinsteren. “Of als een man mij vastpakt. Dat is potverdikke lang geleden!”

“Ik had dat ook met mijn eerste lief”, treedt Marie-Thérèse haar bij. “Amai, als die in mijn ogen keek, dan voelde ik dat altijd in heel in mijn lijf. En als hij mij vastpakte zeker!”

De andere senioren in de kring glimlachen en knikken: ach, de eerste liefde. Je herinnert het je alsof het gisteren was, ook al zijn er decennia verstreken en wil het geheugen niet meer zo goed mee.

“Mijn eerste lief kwam uit Oostrozebeke”, vult Michel, nog een andere bewoner, aan. “Lea heette ze. Het was een schone vrouw. Een héle schone vrouw. Maar het is niks geworden tussen ons, ik ben uiteindelijk met een ander getrouwd.”

Hij voegt er nog aan toe dat hij altijd gelukkig is geweest met zijn vrouw, maar dat het hem nooit is gelukt om Lea vergeten.

“En weet ge wat écht straf is? Dat ik haar jaren later opnieuw tegenkwam. Ik werkte als fournisseur en moest geregeld de baan op. Op een dag stond ze daar, in een winkel. Zomaar. Pas op: er is niks gebeurd, ik was getrouwd. Dat mocht niet meer! Maar het gevoel was er weer helemaal. Ik ben Lea altijd graag blijven zien.”

Na die ontboezeming hult Michel zich weer in stilzwijgen en staart hij voor zich uit. Zijn medebewoners knikken minzaam. Ze weten: een gebroken romance kruipt onder je vel. Dat vergeet je nooit. Ook Marie-Thérèse denkt er zo over.

“Weet ge wat ons moeder destijds zei? Het was in ’t Frans, maar toch. Plaisir d’amour, ça ne dure pas longtemps. Chagrin d’amour, c’est pour la vie! Dat zei ze. Pour la vie. Ze wist waarover ze sprak!”

De begeleidster kijkt geamuseerd toe: de besjes en kranige mannen in het kringgesprek hebben de smaak te pakken. De interactie piekt en met een streep muziek erbij wordt het gevoel nog intenser: een assistente zet “You were always in my mind” in aan de piano.

“Moh!”, kraait Marie-Thérèse instant. “Dàt is een schoon liedje. Ik heb daar met mijn eerste lief nog op gedanst. Echt waar.”

“Weet iemand van jullie nog van wie het liedje is?”, vraagt de begeleidster tussendoor.

Haar publiek knikt enthousiast, maar zwijgt in alle talen. De mist in het hoofd speelt op bij Bertha, bij Antoinette, bij Michel en bij alle anderen.

“Het is een nummer van Elvis Presley”, zegt de dame voorzichtig aan haar publiek. Plots gaat er bij Marie-Thérèse dan toch weer een lichtje branden.

“Heel juist!”, antwoordt ze nog met grote ogen. “Elvis Presley! Hij zong altijd zo schoon. En hij wist ook wat liefdesverdriet was. Ik vind het jammer dat hij daar nooit met ons moeder over heeft geklapt.”