bene van eeghem blog

Bikinibeuzelarij

Het is dinsdagavond, halfzeven voorbij. Door omstandigheden zit ik nog met collega’s aan tafel. We hebben lol, maar mijn moederhart wil weten of de zaken vlot lopen aan het thuisfront. Ik pluk de smartphone uit mijn jaszak en pols bij de babysitter: “Alles oké?”

Een halve minuut later verschijnt er: “We zitten met een cocktail aan het zwembad in Zuid-Frankrijk en alles is top. Over twee jaar keren we terug. Daaaaaag!”

Eerst denk ik: dit is niet voor mij bestemd. Daarna denk ik: hilarische respons. En nog wat later denk ik: ik wil ook zwembad-cocktail-zuiden-zon. Voor ik het besef, gaan reisherinneringen met mij aan de haal. Ik beleef een instant throwback, naar december 2017. Op dat moment permitteer ik me een weekje zuiden op een populair eiland waarvan de naam begint met een T.

Inpakken was hectisch: ik heb het hoogstnodige in een valies gegooid, de boel dichtgeritst en niks gecheckt. Ziedaar het vestimentair overlevingspakket, voor een weekje vol ontspanning. Ter bestemming, amper een halve dag later, lonken het zwembad en de obligate palmbomen. Resistance is futile. Ik wil zwemmen. Ik wil water. Golfslag. Nu.

Gezwind pluk ik de bikiniset uit mijn valies. Ik wurm me uit een vederlicht zomertenue en stap eerst in het broekje: het lijkt achterstevoren te zitten. Ik draai de boel om, maar het resultaat blijft vormeloos en overmaats. Hier klopt iets niet. Er zijn niet bepaald kilo’s bijgekomen aan het vege lijf, maar er zijn er ook geen 30 in rook opgegaan. Misschien beeld ik me gewoon in dat dit ding niet meer past?

Volhardend in de boosheid trek ik ook de bikini aan. Wanneer “mijn gerief” goed zit, hoor ik plots een vaag knerpend geluid. Lichte paniek maak zich van mij meester. Deze zwemspullen zijn einde levensduur en de elastiekjes blijken volledig verstorven. De bikini hangt belachelijk te slobberen rond mijn schouders en boezem, het zwembroekje hangt moedeloos om mijn heupen. Ik heb geen reservespullen bij en bovendien valt de avond al. Ik kreet het f-woord in veelvouden: dit lijkt werkelijk nergens naar, maar opgeven is uitgesloten. Ik wil zwemmen. Ik wil water. Golfslag. Nu.

Met flair én een badhanddoek over mijn exclusieve outfit slof ik een paar minuten later naar het zwembad. Ogenschijnlijk nonchalant en met hartslag 100 – wat sta ik hier in godsnaam met die vodden te doen? – laat ik de handdoek vallen en duik het zwembad in. O zaligheid! Dat water! Die verfrissing!

Maar twee slagen later heeft mijn zwemsetje al liters water opgeslorpt en rekt alles nog verder uit. Ik voel de bikini ‘forfait geven’ en besef dat ik straks quasi naakt uit dit bad zal kruipen, tenzij er nu nog een mirakel geschiedt. Ik dobber naar de kant. Er is niemand te zien. Ik scan mogelijke vluchtwegen en beslis om verder richting ‘waar de handdoek ligt’ te drijven. Het lukt, al beweeg ik met de elegantie van een reumatische wombat op speed. Ik kijk nog een tweede keer rond – de kust is écht veilig – en klim dan snel uit het zwembad. Met mijn linkerhand hou ik de zielige bikini bijeen, terwijl ik de natuur bedank voor de gedoseerde vetreserves die het broekje net niet van mijn achterwerk laten vallen.

In een pijlsnelle beweging sla ik de handdoek weer om me heen en stap terug naar het appartement, waar ik de hele kleren-zooi even later in de vuilnisbak kieper. Ik verwens mezelf voor zoveel ‘rekbare’ achterlijkheid en noteer dat ik bij het ochtendgloren een nieuwe bikini moet kopen. Om de ellende te vergeten zet ik de eerste vakantieavond alvast in met –

“Een glaasje wit, mevrouw?”

Zo brengt de ober brengt me met een vingerknip terug naar de werkelijkheid, aan tafel, bij de collega’s.

“Wit, graag ja”, zeg ik met de glimlach.

Daarna recht ik even de rug. Fatsoeneer gauw mijn truitje en voel op mijn huid dat de elastiekjes van de onderliggende kledinglagen vandaag hun werk wél doen. Oef.