bene van eeghem blog

Zo doorsnee als wat

Beste meneer van op dat terrasje gisteren,

Dehand foto hiernaast gezien? Da’s een rechterhand. Die van mij, ja. Ik ergerde me er bij valavond nog eens aan: de duim half weggemoffeld, de vingers krom gebogen. Overspannen en pijnlijk. Zo gedraagt dat lidmaat zich al decennia. Oorzaak: een aangeboren beperking. Voor mij is die zo vertrouwd als de schuurspons waarmee ik vetresten van het fornuis schrob.

Voor heel wat andere mensen is het net zo. Maar voor u niet, en dat vreet aan mijn West-Vlaamse gemoed. Het geeft ergernis, zoals ik al schreef.

Ik schets de oorzaak van mijn ‘probleem’ voor de goede orde nog even. Er ontbreekt een stukje in mijn linker hersenhelft en dat veroorzaakt gedeeltelijke verlamming op het halve lijf. No big deal, dat meen ik. Ik ben het gewend, het was nooit anders en ik red me. Maar die dekselse beperking zorgt er inderdaad voor dat ik de pols moeilijk kan draaien en anderen soms de hand reik met een indrukwekkend vingervlechtwerk. Zeker als het snel moet gaan: dan raakt dat hersencommando niet tijdig gemaild tot in de vingertoppen en ga ik manueel compleet de mist in. Hupla!

De meeste mensen slaan er nauwelijks acht op. Dat helpt. Maar sommigen, zoals u, verstarren. Er komt onhandig gestamel, een sorry, of een meewarige blik: die doet wel héél vreemd bij een eerste ontmoeting, zeg! (u zou me eens in beschonken toestand op een zomerbarbecue moeten zien: dan was uw bezorgdheid pas echt terecht)

Na die bescheiden verbijstering moet ik me altijd herpakken. Het gesprek verder op gang trekken, iets zeggen over dat het heus wel meevalt, want dat slechte zomerweer in juni, dat was pas erg! Ik zoek een uitweg, weg van de wrevel binnenin, en de babbel kan verder gezet. Tot ik ’s avonds in mijn zetel zit, de dag laat insijpelen en die kleine stoorzender terug aan een nauwelijks gespierde rechterarm zie hangen. Dan denk ik: ‘Smeerlap. Ge werkt op mijn systeem. Mensen vinden u raar. Ik vraag nog een echtscheiding aan als dat zo verder gaat.’

Het is absurd, weet ik, en u bedoelde het vast ook niet slecht. Maar uw reactie hakte er een beetje op in. De blik sprak boekdelen: ze heeft iets. Oh gruwel, als ik dat ervaar. Niks zo erg als gereduceerd worden tot een detail, waardoor mensen niet meer zien dat ik ‘gewoon mezelf’ ben.

Om u gerust te stellen en mijn graad van normaliteit even te onderstrepen, geef ik u dit mee. De wat knullig uitziende rechterpol is een doodbrave, trouwe assist van een fenomenaal ontwikkelde linkerhand. Daarmee haal ik in één beweging 5 borden uit een vaatwasser. Tik ik – gebruik makende van 3 vingers – sneller op een toetsenbord dan iemand die dat met 10 vingers doet. Blog ik. Knuffel ik. Sla ik op tafel als ik me onheus behandeld voel, en hef ik graag en vaak een goed glas op een terras.

Ik ben eigenlijk zo doorsnee als wat. Dat zei ik al, maar het heeft me – ik zal eerlijk wezen – jaren gekost om er zo tegenaan te kunnen kijken. Vroeger was ik het meisje met de handicap, nu ben ik het meisje van 37. Die handicap staat er niet los van, maar is er evenmin aan vast genaaid. Als ik zo door de dagen dartel, is dat niet door die meewarige blikken of vermolmd medelijden. Wel door de spontane zielen in deze wereld, die ik keihard koester.

Op fijne, onvergetelijke momenten zeggen ze mij: ‘Jij bent jij, daar draait het om. Het draait niet om een handicap.’
En op een zomerbarbecue, in beschonken toestand, zeggen ze mij ook: ‘Met een goeie linkerhand kunt ge uzelf toch geweldig veel genot verschaffen, niet?’

Ik kus mijn beide handjes, na zo’n uitspraak. Ik glimlach. En de rest laat ik graag aan uw verbeelding over.

Zomerse groet,

Benedikte