bene van eeghem blog

Tagliatelle met kubuskwal

Vorige week heb ik nog eens een treinrit gemaakt. Niet omdat ik zot ben van de service bij de Belgische spoorwegen, wel omdat ik spoorslags naar de Brussel moest. Daar werd woensdag te midden het verkiezingsgedruis nog even de Leraar van het Jaar verkozen. “Hoe? Wat? Gij? Leraar?!”, hoor ik al u roepen. Maar wees gerust. De dag dat ik voor een klas sta, komt de Noordzee al tot aan Pepingen en ben ik gestopt met mijn tanden te poetsen. Ik woonde de uitreiking bij omdat ik een vriendin had voorgedragen als “starter” in het onderwijs.

Over het evenement zelf kan ik bijzonder kort zijn: het duurde te lang. Het was stroperig en absurd lovend over de onderwijsstiel, zo beaamde ook de lesgevende vriendin. De opgevoerde comedy act (of wat daarvoor moest doorgaan) had bovendien geen enkel effect op onze lachspieren, maar op de darmflora des te meer. Na de formaliteiten hesen die vriendin – die de titel niet binnenhaalde – en ik voor de sport nog een glas fairtrade fruitsap in de wandelgangen, voor we naar Brussel-Noord spurtten om de aansluiting naar huis te halen. Als bij wonder was de trein die avond extreem stipt én voorzien van vrije zitplaatsen. (Pendelaars die dagelijks memmen over te weinig comfort en vertragingen: ge zijt dus allemaal dikke leugenaars! Hah!)

Edoch het simpele geluk der vlotte treinverbinding raakte snel ondergesneeuwd toen ik vaststelde welke compagnie er zich in onze coupé bevond. We waren op dat moment Brussel-Centraal nog geeneens binnen gereden. Op de bank achter ons had zich iets genesteld waarvan ik spontaan spierspasmen en vlekken in de hals krijg. Een kliek duffe ambtenaren (of nauw daarmee verwant), waarvan één manspersoon dwangmatig en aanhoudend het hoge woord moest voeren. Lees: het type mens dat er vanuit gaat dat hij a) de hele wereld in kaart heeft en b) dat ook aan alle medepassagiers wereldkundig moet maken. Met c) een vervelende veel te luide stem bovendien.

Meneer was een ervaringsdeskundige, wisten we meteen. En véél gereisd dat hij had, ge kunt het niet geloven, zelfs tot helemaal in Australië. “Dat bevindt zich helemaal aan de onderkant van de wereld”, lalde hij, “dus stel u voor dat ge dwars door de planeet moet. Dan komt ge daar uit.” (dat zijn uitspraken waar ik anno 1984 paf van stond. In de wetenschap dat ik eind 1978 het vruchtwater mijner moeder voor vervuilde buitenlucht ruilde, weet u ook hoe oud ik toen was. Anno 2014 ben ik minder snel van mijn à propos door de geografische situering van Australië.)

“En weet ge, in Australië, daar leven ook de dodelijkste insecten van allemaal. Die spuiten gif waarmee ge 30 mensen in een keer kunt doden.” Verhip, dacht ik toen, dat is er niet neffen! Bugs of mass destruction! Maar het lallende orakel haalde meteen de kracht van zijn fantasmen onderuit: “Toch zijn er in de laatste decennia eigenlijk geen accidenten meer gebeurd”, zwoer hij. “De Australiërs kennen die insecten, ze weten wat ze moeten doen als ze in de buurt komen.” (Wie gelóóft dat soort quatsch, mensen? Hier zijn ook in geen eeuwen nog Belgen opgevreten door Velociraptors. Wij wéten wat we moeten doen als die kadetten in de buurt komen.)

Van de insecten ging het naadloos richting zeebewoners. Al gehoord van de kubuskwal? Die woont ook in Australië, jawel. Meneer de wereldreiziger had het beest eigenhandig tot op de laatste tentakel ontleed. “Ook extreem giftig”, begon hij weer te verkondigen, “dus in Australië moet ge oppassen waar ge zwemt en…”. Op dat moment hield ik het niet meer en draaide me bruusk om, met de intentie die erudiete nitwit het eeuwige zwijgen op te leggen. Gelukkig was mijn goede vriendin in de buurt en kon ze haar kalmte bewaren. Onderwijservaring, of zoiets. Ze porde me met tedere doch strenge blik: “Bene! NIET reageren. Niet!” (bekentenis: ondanks mijn radde tong ben ik beaat gehoorzaam. Echt, op het truttige af soms. En de vriendin had een punt, dus ik zweeg en liet de kubuskwal voor wat hij was.)

De Aussiesaga ging echter onverminderd verder. Want wist u ook, beste lezer, dat dat land héél groot is? Dat had de reiziger met zijn eigen ogen gezien (ik aanschouwde zijn brilmontuur en kon hem begrijpen) en hij had daar zelfs een boerderij bezocht. “Een boerderij zo groot als België! Maar Australiërs zijn afstanden gewend, 3 uur rijden naar de winkel is daar normaal. Of met het vliegtuig naar de dokter.” (Een boerderij zo groot als België??? Begin maar te stofzuigen, gast. En dat van dat vliegtuig naar de dokter: mispoes. De dokter komt met het vliegtuig naar jou, down under. Ik heb jaren naar Flying Doctors gekeken, ze moeten mij niks meer wijsmaken.)

In de volgende passage luidde het plots dat niet de boerderij, maar de landerijen eromheen zo groot als België waren. De omni-intelligente boodschapper zat zijn discours dus al bij te schaven nog voor het afgerond was. Er zweefde prompt een glimlach om mijn lippen. De goede vriendin voelde mijn animo opborrelen en siste weer met grote ogen: “Bene! Neen hé! Niet doen!” (check. Niet gereageerd, alweer.)

We tuften inmiddels, en zonder vertraging, Oost-Vlaanderen door. De Christoffel Colombus achter ons switchte van modus-Australië naar modus-China. Hij was er ook al geweest “en tofu is daar veel lekkerder. Hier smaakt dat naar niets, maar in China, chochooo…” (smaakt het vooral naar tofu, wil ik wedden. Jep.) Italië stond ook op zijn palmares, vernamen we vlak voor we Gent binnen reden. “En de Italiaanse keuken, dat ziet er niet uit, ze leggen alles door mekaar op je bord. Dat is niet zoals het hier serveren bij den Italiaan, want daar….” (Il millantatore! Daar hebben ze die halfgod in een minderwaardig restaurant gewoon geld aangerekend voor iets wat het niet waard was. Tagliatelle met kubuskwal, of zoiets.)

Roundup: dat de trein ergens rond halfzeven en dus stipt in Gent arriveerde. Dat ik toen net niet mijn ellebogen had stukgebeten van ergernis. De eloquente globetrotter nam zijn duffe aktetas van het bagagerek en stapte in gezelschap van de trein af. Ik er prompt achteraan, niet om zoete wraak te nemen, wel om mijn aansluiting naar thuisstad die Scone te halen. Trouwens, die Scone, dat is een middeleeuwse stad, wist u dat? En het Belfort, dat zetten ze elke ochtend voor dag en dauw op om de Australiërs en de Chinezen en de Italianen te plezieren. ’s Avonds breken ze dat weer af en bergen ze dat netjes op in een doos. Vandaar het er nog zo schoon uitziet, na al die eeuwen. Jammer dat ik dat net niet aan die pendelaar heb kunnen vertellen. Maar als de juf zegt dat je moet zwijgen…