bene van eeghem blog

Genageld

“Wie is daar, mama?”

De hamvraag van de jongste thuis. Hij stelt ze iedere keer als de bel gaat. En iedere keer antwoord ik hetzelfde:

“Ik weet het niet, maar ik vertel het je als de deur open is!”

Die woensdag gebeurt het weer. Ringgg – deurbel. Hij stelt de vraag, ik kaats het antwoord terug en begeef me naar de gang. Geen idee wie er rond etenstijd nood heeft aan persoonlijk contact, maar voor de zekerheid haal ik mijn breedste glimlach boven. Wanneer ik opendoe, krijg ik beperkte jovialiteit in ruil.

Ze zijn met z’n tweeën. Hij is gehuld in een inspiratieloos grijs maatpak en een bijpassend hoedje. Zij heeft gekozen voor een vormeloze jurk in biggetjesroze en een verschoten vilten hoed. Hun brilmonturen dateren van rond de eerste maanlanding. Ik vrees het ergste maar wil niet te snel oordelen: misschien zit hier écht wel een leuke babbel in.

“Kan ik u helpen?”, vraag ik gemoedelijk.

“Mevrouw, wij hadden graag een gesprek met u gehad”, antwoordt het stuk grijs. “Over zingeving in het leven en nieuwe wegen om uw twijfels te verzachten.”

Zijn engagement lijkt gemeend maar genereert bij mij een averechts effect. Zingeving wil ik niet op mijn dorpel vinden en twijfels verjaag ik doorgaans met een ijsje in de hand: drie ferme bollen en het leven wordt instant een feest! Toch voel ik instinctief dat deze zendelingen daar anders over denken. Hun bezoek voorzichtig afwimpelen is de beste strategie om mijn avond te redden.

“Bedankt meneer, maar ik heb geen interesse”, zeg ik terwijl ik de deur voorzichtig dicht duw.

“Het lijden van de Heer kan ons versterken”, voegt het stuk roze er gauw aan toe. Ze posteert zich met die zin nadrukkelijk voor het deurgat en prevelt nog iets over ‘gestorven aan het kruis’. Haar brilglazen beginnen aan te dampen van alternatie. Op dit adres zijn er weinig zieltjes te rapen, beseft ze, en ze verliest er haar zelfbeheersing door. In mijn verbeelding welt er bliksem op in haar ogen en spreekt ze dra een genadeloze banvloek uit.

Maar in het echt blijft het stil. Ongemakkelijk stil.

“Geen interesse”, herhaal ik. “Fijne avond nog.”

Rozemie knikt, buigt deemoedig het hoofd en volgt haar business partner naar het volgende huisnummer.

“Wie was dat, mama?”, oppert junior als ik luttele seconden later weer in de woonkamer sta. Het vluchtige bezoek heeft de aandacht getrokken, hij wil er het fijne van weten. Ik zeg dat er mensen iets over het geloof en over Jezus kwamen vertellen. Maar daar zijn wij niet zo mee bezig, dus ik heb ze weggestuurd.

“Ze zeiden iets over het kruis”, gaat hij verder. “Ik heb het gehoord. Jezus is gestorven aan het kruis. Ze hebben nagels in zijn handen geklopt, met bloed en al!”

Ik grinnik en bonk ludiek met mijn hoofd tegen de muur: spaar me hiervan, zoonlief, het is niet het moment voor symbolisch bloedvergieten en diepgaande gesprekken over stigmata. Ik maan hem aan om verder te lezen in zijn stripverhaal. We kunnen het later nog over Jezus hebben, maar eerst moet er eten klaargemaakt.

De kleine man heeft de boodschap begrepen. Toch staat opgeven niet in zijn woordenboek. Nooit. Het bezoek van de geloofsverkopers moet uitgediept, hier en nu, op zijn manier.

”Zeg mama”, zegt hij in alle ernst. “Weet je wat? Jij bent nog véél sterker dan Jezus. Want de kinesist stak vandaag ook heel veel nagels* in je schouder. Maar jij bloedt niet. En je bent ook niet doodgegaan.”

Ik moet even naar adem happen bij die uitspraak. Neen, ik ben niet doodgegaan, maar “in godsnaam”…. nagels? Waar hààlt hij het?

En dan barsten we allebei in lachen uit. Lang en onbedaarlijk. Omdat dit een absurd gesprek is. En omdat ik inderdaad stukken sterker ben dan Jezus: they nailed me and I did not bleed. Ik heb de kruisiging overwonnen. Daar kan geen maatpak of vilten hoedje tegenop.

(* in realiteit: naaldjes. Maar voor kinderen is dat een verwaarloosbaar detail.)

 

10 antwoorden

Reacties zijn gesloten.