bene van eeghem blog

De trui van trut

Het voordeel aan werken voor een grote organisatie: je hebt meer dan 2.000 collega’s om mee op te trekken. Het nadeel aan werken voor een grote organisatie: eigenlijk ken je er van die 2.000 maar een handvol echt goed. De andere gezichten zijn collega’s op een afstand. Verre connecties. Je kruist ze per fiets, in de wandelgangen of in de lift. Er volgt telkens een beleefde knik, een ‘goeiemorgen’ of ‘tot morgen’.

Daar stopt het, tenzij één van die illustere onbekenden op een dag opvallend de aandacht trekt.

Zij doet het over de middag, in alle eenvoud, nadat ik geluncht heb en me terug naar het bureau begeef. Ik weet niet hoe ze heet maar de trui die ze draagt, laat weinig aan de verbeelding over. “TRUT”, staat erop, in koeien van letters. Ook al is me geleerd dat staren niet beleefd is: ik kan met moeite mijn ogen van het opschrift afwenden. Ik vind het verwarrend, grappig én gewaagd. Ik wil een gesprek aanknopen, maar weet heel even niet hoe te beginnen.

Zal ik achteloos “Hallo, trut!” zeggen en doorlopen?
Of vraag ik beleefd naar haar naam, interesses en naar wat ze op kantoor zoal doet?

Door de afweging is ze uit het gezicht verdwenen voor ik er erg in heb. Ik baal stiekem: kans op een mogelijk verrassende kennismaking verkeken.

Een dag later sta ik op de parking bij te kletsen met een vertrouwde collega. Daar zie ik haar opnieuw lopen: het meisje met de bedrukte trui. Ze nadert met vaste tred, zelfverzekerd, op weg naar een missie. Wanneer ze mij kruist, minder ze even vaart en knikt. Herkenning. Ik vat de koe bij de horens.

“Mag ik even iets vragen?’
“Ja hoor!”
“Heb jij die trui zelf gekocht, met dat opschrift?”

Ze valt stil. Heeft die vraag duidelijk nog niet gekregen maar beaamt dat ze het kledingstuk zelf koos. Dit is een nieuw en hip merk, zegt ze, en daarom draagt ze het graag,

“En hoe heb je liefst dat mensen je aanspreken?”, pols ik nieuwsgierig. “Mogen ze jou gewoon… ‘trut’ noemen, in dit geval?”

Ze denkt weer na. Geeft tenslotte toe dat ze het best oké vindt: trut genoemd worden is niet erg. Het moet kunnen. Ze vertelt me en passant dat er nog een boel andere opschriften bestaan, ik kan dat terugvinden op het internet. Boef, Klassewijf, Leukerd, Paljas: alles wordt tegenwoordig op textiel gedrukt. Het is een kwestie van de gepaste roepnaam te kiezen, te bestellen en hop! Twee dagen later zit de trui in de bus!

Ik glimlach maar weet eigenlijk niet of ik het concept zo tof vind. Door het leven gaan als een leukerd: tot daaraan toe. Bij gelegenheid wil ik ook wel de rol van klassewijf of paljas opnemen. Maar om onverdeeld de trut te zijn, terwijl de hele wereld erop kijkt? Het lijkt me geen fijn gevoel. Uit beleefdheid hou ik de babbel toch gaande.

“Hoeveel kost zo’n trui dan precies?”
“Pft, 70 euro of zo. Dat is nog te doen.”
“Zeker!”, antwoord ik. Ik moet me inhouden om er niet spontaan ‘Trut!’ aan toe te voegen.

Net zoals ze toekwam, vertrekt het meisje even later ook weer: in een vlucht. Ze lacht breed, wenst me nog een fijne werkdag en stapt ze het kantoorgebouw binnen. Ik besef dat ik niet eens naar haar naam heb gevraagd. Ik ben door de opdruk uit het lood geslagen, maar bij een volgende ontmoeting maak ik het absoluut goed.

Dan stap ik spontaan op haar af of steek ik mijn hand op, in de wandelgangen. Terwijl iedereen het hoort, zeg ik vrolijk en hardop:

“Hey TRUT! Ik ken je naam niet, maar je ziet er verdomd goed uit vandaag!”

Wedden dat ze daar ontzettend gelukkig van wordt?

11 antwoorden

Reacties zijn gesloten.