bene van eeghem blog

De kleine filosoof

“Twijfel is het begin van de wijsheid, mama. Dat is een stelling van Descartes.”

Hij zegt het terwijl hij met zijn neus in ‘Het dikke denkboek’ zit. Filosoferen is zijn nieuwste passie en het kan hem geen lor schelen dat mama niet zo thuis is in de materie. Hij heeft recent de Griekse en Romeinse wijsgeren ontdekt en is er compleet aan verslingerd. Het denkboek is een toemaatje. Een cadeautje. Gekregen zonder echte reden.

Hij bladert, leest, maakt aantekeningen en murmelt allerhande dingen. Intussen snij ik devoot groenten voor het avondeten.

“Ken je Immanuel Kant, mama?”

Ik zeg van wel. Duitse filosoof, negentiende eeuw. Hij heeft vast een hoop interessante stellingen geponeerd, maar ik ben dat al een beetje vergeten. Filosofie was een buisvak op de universiteit, voeg ik eraan toe, mama heeft daar niet zo’n beste herinneringen aan.

“Maar Kant zegt wel interessante dingen! Zoals: we zijn niet op de aarde gekomen om geluk te zoeken, maar om onze plicht te vervullen.”

Na die wijze woorden grinnik ik en zie hem opkijken uit zijn boek. Hij denkt na, zoals alleen een kleine filosoof dat kan. De woorden van Kant sijpelen in. Er hangt ‘plicht’ aan vast en daar is junior desondanks niet zo tuk op.

“Ik denk dat ik dat hoofdstuk toch oversla”, zegt hij laconiek. En hij bladert weer verder, maakt nieuwe aantekeningen, pijnigt zijn net-geen-tienjarige hersenen

Ik ben nog steeds met de groenten in de weer wanneer hij gezwind op Schopenhauer overschakelt. Of ik die misschien nog ken?

Ja hoor, beaam ik, ook een filosoof. Maar meer weet ik er niet over te vertellen.

“Wel”, zegt junior, “Schopenhauer leefde in de achttiende eeuw. Hij stelt het volgende: al ons willen komt voort uit behoefte, dus uit gebrek, dus uit lijden. Hm. Dat ga ik onthouden, want dat is interessant.”

Ik zucht even. Denk terug aan de tijden waarin ik boven turven van dit soort gebogen hoogdravende wijsheid zat en voor geen meter wist hoe je zoiets instudeert. Het was een lijdensweg waaraan ik liever niet herinnerd word. Maar dat is buiten de kleine filosoof gerekend: in zijn wereld moet en zal iedereen meedenken, vanaf nu. Resistance is futile.

Hij zet zich diezelfde avond meteen al aan het schrijven. Hij wordt filosoof, verklaart hij, en zal alleen nog stellingen bedenken. Want dat is leuk. Je kunt erover discussiëren met mensen, zelfs als ze het niet echt begrijpen. Wat later vind ik zijn eerste pennenvrucht op tafel:

‘Je vrienden zijn lief, je vijand is boos, maar wat is je broer of zus dan?’ (S. Brouwers)

Ik pols discreet wat hij daarmee bedoelt. De kleine filosoof reageert formeel:

“Daar moet je over nadenken, mama. Filosofie gaat niet vanzelf.”

Ik zucht nog eens. En doe het opnieuw, wanneer ik hem laat instop en hij aangeeft dat hij morgen verder zal filosoferen. Hij gaat iets over dromen schrijven en dat meenemen naar school. Zo kan hij met vriendjes filosoferen. Zijn hersenpan heeft geen modus non-actief, maar desondanks zeg ik dat het bedtijd is. Ook denkers moeten af en toe slapen.

De volgende ochtend trippelt hij voor dag en dauw naar beneden. Wanneer ik opsta, zie ik hem alweer in de sofa zitten, met de neus in het dikke denkboek. De kleine filosoof heeft zijn pyjama nog aan maar is niet in te tomen.

“Dit hoofdstuk gaat over Plato, mama. Die heeft ook wel coole dingen gezegd. Hij kwam uit Griekenland.”

Ik knik, glimlach, wrijf de laatste resten slaap uit mijn ogen. Ik maak ontbijt, dek de tafel, zeg aan junior en zijn zus dat het etenstijd is.

“Mama!”, roept hij plots, “Weet je wanneer Plato geboren is? Op 15 mei, 427 voor Christus. Dat staat hier. 15 mei is mijn verjaardag! Dus het is normaal dat ik ook een filosoof ben.”

Waarna mama in lachen uitbarst. Van alle stellingen is dit meteen zijn meest geslaagde: ‘Het is normaal dat ik een filosoof ben’. Dat ze van oude Grieken eigenlijk geen exacte geboortedatum hebben, verzwijg ik hem voor de sport nog even. Filosofen hebben recht op hun brok onwetendheid en fantasie. Dan gaat de rest later wél vanzelf.