bene van eeghem blog

Festivallyriek

Twee dingen waar dezer dagen niet aan te ontsnappen valt. 1. Grasvelden 2. Hoe ze in modderputten veranderen. Immers: naast een WK voetbal is de laatste weken ook een festivalseizoen op gang getrapt. Met grote en kleinere namen op grote en kleinere affiches. Met dure en minder dure campings. Met ruige en rustigere deuntjes, maar vooral: met sfeer. Telkens weer.

Zelfs al zat u – zoals ik – niet op Rock Werchter het voorbije weekend: de kans is klein dat u niets over het gebeuren heeft gelezen of gehoord. Het festival van de Schuer bestaat veertig jaar en kreeg uitgebreide aandacht in meerdere journaals. Selfies tussen tentjes en pils in recycleerbare bekers overspoelden de sociale media. Het feit dat Triggerfinger én de Duivels op hetzelfde moment moesten spelen, was net geen wereldnieuws. Oeverloze debatten over te dure tickets waren er vast ook, maar die heb ik vakkundig kunnen ontwijken. Want ja, het is geweten dat een ticketje Werchter of Pukkelpop vroeger maar 800 frank of zoiets kostte. Het was niet zo duur allemaal, maar dat was vroeger. Toen kon je op festivals geen warme douche nemen, biologisch eten of geld uit de muur halen. Nu kan dat wel en daar staat een prijs tegenover.

Voor u me ervan verdenkt dat ik ongegeneerd de kaart van de organisatoren trek: het is natuurlijk waar dat heel wat dingen in festivalland vroeger beter waren. Of toch: anders. We mochten meer, we moesten minder. Er was geen mobiel internet en gsm’s waren schaars. We beleefden de festivals niet door ze maximaal online te sharen. We lieten de decibels over ons heen waaien, droegen nooit oordopjes en vertoefden in een tent, ergens in Vlaamse Velden. Het thuisfront vernam 48 uur lang absoluut niks over ons. Moeder en vader concludeerden dat we beleefd en voornaam waren en ‘niets deden wat niet mocht’. En: dat we op tijd gingen slapen. (I’ve fooled them for years. Het enige wat een mens op een festival niet doet, is slapen of altijd beleefd zijn. Als u een festivalganger bent, zit u nu hevig te knikken om dat te beamen.)

1994 was mijn allereerste hoogmis van de festivalgekte. Na waanzinnig lang aandringen mocht ik met een schoolvriendin naar Pukkelpop. Zij was zestien, ik vijftien. Tickets voor het feest in Kiewit schaften we in een lokale groezelige platenwinkel aan. De tent (een vintage model, net niet op het gênante af) plukten we van de zolder bij haar ouders. Idem de rugzakken en tamelijk versleten slaapzakken. De combat boots leenden we god-weet-ik-waar. Ze wogen als lood aan de voeten, gaven bitter weinig stapcomfort, maar in combinatie met een gescheurde jeans en een Levellers-hoodie boden ze wel de vereiste festival credibility. En zo spoorden wet mét boots, tent, slaapzakken en propvolle rugzakken van Knokke naar Kiewit.

Bij aankomst leek het alsof we een halve wereldreis hadden afgelegd. We stonken al een klein beetje naar zweet, maar dat deerde niet. De tent werd geïnstalleerd op een – toen nog gratis – camping en we stelden prompt vast dat de buren uit Beselare kwamen. West-Vlaamser dan Beselare: het kan gewoon niet. De buren stelden zich voor als ‘Bolle’ en ‘Hoaze’. “Me zien mieder vrjee kontent dat er zukke skoane meiskes neffest ons stoan seg”, sprak Bolle. “Me hon mieder ons iere verskrikkelik amuseren”, voegde Hoaze er met een geniepige glimlach aan toe, voor hij in zijn tent dook. (noot: hoaze is hoe ze in mijn gouw het woord gas uitspreken. De jongen had die bijnaam verworven vanwege een waanzinnig actief darmstelsel. Hij leed aan permanente flatulentie. Ook op festivalcampings geldt dat je je buren niet kiest.)

De eerste nacht op Pukkelpop was lachen, gieren, brullen. De scheten van Hoaze tellen, het aanhoudende gevloek van tentpartner Bolle verteren (“Seg Hoaze verdimme, mejje sketen! Kunne biekan niemmer oasemen!”) en niet meer bijkomen. Bovendien konden we ons ook zonder enige moeite de codes van het festivalpubliek eigen maken. Die gingen (en gaan) volgt:

1. Als er in de verte een trein passeert: massaal beginnen brullen. (er passeren aanhoudend treinen ’s nachts in heel dit land. Ook in Kiewit. Vandaar dat slapen op een festival uitgesloten is.)
2. Als je je bij nachte verveelt, ga met een zaklamp een perimeter van ongeveer 50 m doorlichten. Staat er in die zone toevallig een manspersoon te wildplassen: zet er het volle licht op en roep “éééééla ééééla éééla! Azo ziemme nie ipgevoed é zeg!” (waarna de man gegeneerd weg spurt. Met alle spatten van dien.)
3. Vul de kreten aan die her en der, de hele nacht door, gelanceerd worden. De bekendste is: “Zeise zeise zeise….” (en het vervolg is te onwelvoeglijk om hier neer te pennen. Maar u kent het vast. Indien niet: laat me een mailtje, en u krijgt het antwoord toegestuurd. Met wellevendheid en voornaam taalgebruik heeft het alvast niks te maken).

Bij het ochtendgloren repten we ons datzelfde weekend met wallen onder ogen en nog iets harder stinkend naar de festivalweide. Pukkelpop duurde ‘maar’ één dag in 1994, en we moesten ‘maar’ kiezen tussen twee podia. Luxe! Gezien onze vestimentaire keuze keken we vooral uit naar het langharig werkschuw tuig genaamd Levellers, van wie we alle rebelse en überlinkse songteksten uit het hoofd hadden geleerd. We waren ervan overtuigd dat die mannen de wereld echt zouden veranderen en het establishment omver zouden werpen. Op Kiewit in 1994 hebben ze het uiteindelijk niet gedaan en de jaren erna – als ik me niet vergis – ook niet. Geldt evenzeer voor de andere bands die we die dag bewonderden: The Peppers, Biohazard, The Lemonheads, Pavement en nog wat andere namen die vast geen belletjes meer doen rinkelen.

Na die ene dag muziekgeweld volgde alweer een slapeloze nacht vol scheten, kreten en wildplassers op de camping. Daarna was het: inpakken en opkrassen. Einde avontuur. Ongewassen, met fluitende oren en joekels van blaren op de voeten spoorden we terug naar de kust. De wereld was dezelfde gebleven, maar we keken er vanaf dat moment met andere ogen naar. Met de ogen van de festivalganger. Ook al staat die anno 2014 met een smartphone in de aanslag om sms’en te versturen terwijl wij het moesten doen met kattebelletjes aan de stand van HUMO: het genot is hetzelfde gebleven. Festivals bezoeken, da’s mensen ontmoeten, genieten, lachen. Even de zorgen opzij zetten en geloven dat het toch goed komt met de wereld.

Ik riskeer het trouwens nog eens, de festivallyriek met pilsbekers en modderputten. Komend weekend op het Cactusfestival. Wenst u graag een traktatie, een korte babbel of een welgemeende knuffel: u kunt ze komen halen aan de boom links van de PA in het Brugse Minnewaterpark. Drie dagen lang is alles mogelijk, maar indien u lijdt aan flatulentie: graag enige afstand bewaren.

2 antwoorden
  1. Lies zegt:

    Ik was daar ook! Mét Levellers-T-shirt! Het was ook mijn eerste festival, en ik heb er ongelooflijk hard van genoten. Vanaf dan was ik verkocht. Oooh de Levellers waren zooo goed op dat festival! Ik herinner me dat er voor hen een andere groep speelde die het publiek de hele tijd ‘motherfuckers’ enzo toeriep. The Levellers kwamen op en het eerste wat ze zeiden was “You’re not motherfuckers, we love you!”. Jeeeeeee heel het publiek in vuur en vlam 🙂

  2. Dieter zegt:

    Alweer leuk te lezen! Echter, let op, want de “front of house”-toren is een meter of tien achteruit geplaatst. Ziet da je nie mist van boom! 🙂

Reacties zijn gesloten.