Berichten

Gewone koffie en tafelkleedjes

Houten lambrisering. Een imposante biljarttafel in het midden van de zaak. Authentieke tafelkleedjes, een beduimelde menukaart en vriendelijk geknik wanneer je binnenwandelt: daaraan herken je een doorsnee volkscafé in Vlaanderen.

Ook al luidt het dat die cafés stilaan met uitsterven bedreigd zijn, in elke stad en elk dorp blijven er nog een paar overeind. Vaak gaat de geschiedenis 100 jaar of meer terug. Ook hier, in het Tramhuis. Enkel de foto’s boven de toog en de naam van het café herinneren nog aan de tijd waarin er écht een tram passeerde. Koning auto heeft het anno 2026 overgenomen in het straatbeeld, maar het verleden is niet helemaal weggeveegd.

Ik beland bij toeval in de kroeg op een koude middag. Na zakelijk overleg in de buurt snak ik naar een kop koffie en ik weet dat ze die hier serveren aan een democratische prijs, zonder onnodige franje en met een zacht snoepje erbij. Meer hoeft het in tijden van overvloed niet te zijn.

Na wat tobben over de tafelkeuze nestel ik me in de hoek van het Tramhuis. Ik overschouw het decor. Het is hartverwarmend hoe alles hier een lokale, tijdloze sfeer ademt. Het meubilair gaat al decennia mee, de uitbaters staan even lang achter de toog. Ze spreken iedereen glimlachend met de voornaam aan, uit liefde voor het vak en de buurt.

Nadat de waardin mijn bestelling heeft opgenomen, laat ik mijn blik verder over het decor glijden. De meeste aanwezigen zijn een pak ouder dan ik en genieten van een welverdiend pensioen bij een pintje of een cola. Ik hoor geanimeerde gesprekken over voetbaluitslagen en de zoveelste tariefheffing van de Amerikaanse president. Het thema beheerst het nieuws sinds maanden.

“Het is toch wat”, zucht een man aan de toog. En dat hij zich afvraagt hoe lang die clown in het Witte Huis het nog gaat rekken, met dat beleid van hem. Na dat statement: hoofdgeknik bij de omstaanders. Het is inderdaad wat, aan de overkant van de oceaan.

“Al een geluk dat we hier zitten”, oppert een andere trouwe klant. Waarna hij zijn pintje leegt, naar de toog wuift en even zijn tegen glas tikt. “Nog eens hetzelfde, Rita.”

De waardin knikt, maar brengt eerst mijn koffie. Voor nog geen drie euro geniet ik van dampend lekkers. Er was geen keuzestress over melkschuim, toppings of de sterkte van de bonen mee gemoeid. Koffie is in hier gewoon koffie een standaard kop. One size fits all. Net zoals er op elke tafel vintage gebreide tafelkleedjes van hetzelfde formaat liggen: eenvoud uit de goeie ouwe tijd.

Ik geniet van mijn drankje en besef dat ik vlot aan de winterkou ontsnap: deze plek ademt meer warmte dan een Leuvense stoof. Even later stapt nog een geroutineerde klant binnen. Hij installeert zich aan een tafeltje naast me, de rug naar mij gekeerd. Nog voor hij zijn bestelling heeft doorgegeven, schenkt de waard zijn cola al uit. ‘Ken uw klandizie’, klinkt het in mijn achterhoofd.

Mijn buur posteert zijn kruk tegen de tafel en richt zijn blik op het hele café. Hij hoort hier thuis, zo blijkt, en wuift zachtjes naar twee tafels verderop. Wanneer nog een andere stamgast polst hoe het ermee gaat, antwoordt hij: “Olles hoet, jaja. Olles hoet.” En dan nipt hij van zijn cola.

Ik glimlach. Voel me een beetje een outsider in dit verhaal, maar zou hier gerust een middag kunnen slijten en kijkend genieten. Van de gezelligheid, de gemoedelijke gesprekken en occasionele toogwijsheid die men hier poneert. Van het zicht op de spaarkas, de keus en de affiche van de eerstvolgende braadworstenkaarting. Van het feit dat je hier geen wifi hebt en dus meer neiging om écht te connecteren met mensen.

De moeilijkst te nemen bocht loopt voorbij het café op de hoek, schreef iemand ooit. Ik heb de bocht vandaag afgeknipt. Gelukkig maar.